Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-06-06
ECLI:NL:RBMNE:2024:3466
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,684 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/3479
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juni 2024 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser,
en
Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: C.H.M. Kraakman).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag om openbaarmaking van documenten die, kort gezegd, betrekking hebben op alle communicatie van betrokken medewerkers van de [bedrijf] , de ambtenaren van diverse ministeries, van de werkgroepleden en van derden over het rapport ‘Normeren en beprijzen van stikstofemissies’ van maart 2021en de daaraan onderliggende rapporten en verslagen van besprekingen.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiser heeft zijn aanvraag ingediend op 16 januari 2022. Verweerder moest uiterlijk binnen vier weken, gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen, beslissen op de aanvraag. Dat stond in het destijds geldende artikel 6, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur. Op 1 maart 2022 heeft verweerder die beslistermijn verdaagd met vier weken op grond van artikel 6, tweede lid, van de Wob . Ondanks dat de verlenging buiten de beslistermijn plaatsvond, meende verweerder uiterlijk op 14 maart 2022 te moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser verweerder op 26 juni 2023 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken.
4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De standaardtermijn waarbinnen verweerder alsnog op het verzoek moet beslissen bedraagt in beginsel twee weken na deze uitspraak (artikel 8:55d, eerste lid, Awb). Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb).
5. Verweerder verzoekt de rechtbank om een andere termijn te bepalen. De reden dat er nog geen besluit is genomen, is volgens verweerder onder meer gelegen in de omvang van het verzoek, de personele capaciteit en de hoeveelheid verzoeken die ter behandeling voorliggen, waar eiser een groot aandeel in heeft. Verweerder schrijft in zijn verweerschrift van 23 augustus 2023 uiterlijk medio oktober 2023 te kunnen beslissen.
6. Tot op heden heeft verweerder nog geen besluit genomen en de door verweerder genoemde termijn is inmiddels ook verstreken. Hierdoor ziet de rechtbank geen aanleiding om een andere termijn te bepalen dan de wettelijke termijn van twee weken. Verweerder krijgt dus twee weken om te beslissen op het verzoek van eiser. Deze termijn begint na de dag van verzending van deze uitspraak.
7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
8. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb). Er zijn door eiser geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser betalen.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- draagt verweerder op het griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van L. Beijerinck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2024.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/3479
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juni 2024 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser,
en
Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: C.H.M. Kraakman).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag om openbaarmaking van documenten die, kort gezegd, betrekking hebben op alle communicatie van betrokken medewerkers van de [bedrijf] , de ambtenaren van diverse ministeries, van de werkgroepleden en van derden over het rapport ‘Normeren en beprijzen van stikstofemissies’ van maart 2021en de daaraan onderliggende rapporten en verslagen van besprekingen.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiser heeft zijn aanvraag ingediend op 16 januari 2022. Verweerder moest uiterlijk binnen vier weken, gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen, beslissen op de aanvraag. Dat stond in het destijds geldende artikel 6, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur. Op 1 maart 2022 heeft verweerder die beslistermijn verdaagd met vier weken op grond van artikel 6, tweede lid, van de Wob . Ondanks dat de verlenging buiten de beslistermijn plaatsvond, meende verweerder uiterlijk op 14 maart 2022 te moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat deze beslistermijn is overschreden. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser verweerder op 26 juni 2023 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken.
4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De standaardtermijn waarbinnen verweerder alsnog op het verzoek moet beslissen bedraagt in beginsel twee weken na deze uitspraak (artikel 8:55d, eerste lid, Awb). Alleen in bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen (artikel 8:55d, derde lid, Awb).
5. Verweerder verzoekt de rechtbank om een andere termijn te bepalen. De reden dat er nog geen besluit is genomen, is volgens verweerder onder meer gelegen in de omvang van het verzoek, de personele capaciteit en de hoeveelheid verzoeken die ter behandeling voorliggen, waar eiser een groot aandeel in heeft. Verweerder schrijft in zijn verweerschrift van 23 augustus 2023 uiterlijk medio oktober 2023 te kunnen beslissen.
6. Tot op heden heeft verweerder nog geen besluit genomen en de door verweerder genoemde termijn is inmiddels ook verstreken. Hierdoor ziet de rechtbank geen aanleiding om een andere termijn te bepalen dan de wettelijke termijn van twee weken. Verweerder krijgt dus twee weken om te beslissen op het verzoek van eiser. Deze termijn begint na de dag van verzending van deze uitspraak.
7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
8. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb). Er zijn door eiser geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser betalen.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- draagt verweerder op het griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van L. Beijerinck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2024.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.