Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-05-01
ECLI:NL:RBMNE:2024:3130
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,736 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/566262 / FO RK 23-1413
Beëindiging van het ouderlijk gezag
Beschikking van 1 mei 2024
in de zaak van:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Midden-Nederland, hierna: de Raad,
gevestigd in Utrecht,
over het kind: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[moeder]
, hierna: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. N.A. de Kock,
[pleegouders]
, hierna: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland, hierna: de GI.
gevestigd in Utrecht.
Procesverloop
1.1.
De rechtbank heeft het verzoekschrift van de Raad (met bijlagen) op 10 november 2023 ontvangen.
1.2.
De mondelinge behandeling (zitting) stond eerst gepland op 29 februari 2024. Op de ochtend van de zitting heeft de advocaat van de moeder verzocht om uitstel van de zitting, omdat de moeder wegens ziekte niet in staat was om op de zitting te verschijnen. Op die zitting zijn de Raad en de GI wel verschenen, maar de moeder en haar advocaat niet, waarna de rechtbank heeft besloten om de zitting uit te stellen.
1.3.
Het verzoek is vervolgens door de meervoudige kamer (drie rechters) besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 9 april 2024. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat en mevrouw [A] als begeleidster van De Rading (pleegzorgbegeleiding);
de heer [B] namens de Raad;
mevrouw [C] , de betrokken jeugdbeschermer;
de pleegouders.
2Waar de procedure over gaat
2.1.
De moeder heeft het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] staat sinds 9 januari 2019 onder toezicht van de GI. Hierdoor heeft [minderjarige] een jeugdbeschermer. De ondertoezichtstelling van [minderjarige] is na de eerste ondertoezichtstelling telkens verlengd en loopt nu tot 9 januari 2025.
2.3.
Sinds 18 februari 2020 is [minderjarige] met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst. De machtiging tot uithuisplaatsing is daarna telkens verlengd, de laatste keer tot 9 januari 2025.
2.4.
[minderjarige] verblijft sinds 23 december 2021 in het huidige pleeggezin.
2.5.
De Raad vraagt de rechtbank nu om het gezag van de moeder te beëindigen en de GI met de voogdij te belasten. De GI heeft per brief van 17 mei 2023 laten weten dat zij bereid is om de voogdij over [minderjarige] op zich te nemen.
2.6.
De moeder is het daar niet mee eens.
Beoordeling
3.1.
De rechtbank zal de verzoeken van de Raad toewijzen. Dat betekent dat de rechtbank het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigt en de GI met de voogdij over haar belast. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
Gezagsbeëindiging
3.2.
Volgens de wet kan de rechtbank het gezag van een ouder of van beide ouders beëindigen als het kind opgroeit op een manier waardoor zij ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van het kind te dragen binnen een aanvaardbare termijn. De ‘aanvaardbare termijn’ is de periode waarbinnen voor dit kind duidelijk moet zijn waar het zal opgroeien.
3.3.
Dit is het geval. [minderjarige] wordt in haar ontwikkeling ernstig bedreigd. [minderjarige] is in haar jeugd meerdere keren geconfronteerd geweest met de psychiatrische problematiek van de moeder, waardoor zij veel onveiligheid heeft ervaren. Gelet op de zorgen is [minderjarige] al voor haar geboorte onder toezicht gesteld. Op 18 februari 2020 is zij voor het eerst uit huis geplaatst in verband met een gedwongen opname van de moeder. Uiteindelijk is [minderjarige] in juli 2021 in een pleeggezin geplaatst en verblijft zij sindsdien niet meer bij de moeder. Sinds kort heeft [minderjarige] plotseling huilbuien, zonder dat daarvoor aanleiding of reden wordt gezien. [minderjarige] weet dan zelf ook niet waarom ze moet huilen. Er wordt overwogen om hier hulpverlening voor in te zetten zoals speltherapie of Piep de muis. Als [minderjarige] verdrietig is, zoekt ze steun en troost bij de pleegouders.
3.4.
De moeder kan de verzorging en opvoeding van [minderjarige] niet dragen. De moeder heeft een belast verleden. Volgens Altrecht is er bij de moeder sprake van een persoonlijkheidsstoornis en psychotische kwetsbaarheid. Er is door de rechtbank een machtiging afgegeven voor verplichte zorg, voor het toedienen van medicatie. De moeder gaat daarvoor maandelijks naar Altrecht. Verder ontvangt de moeder op alle leefgebieden hulpverlening (zoals op het gebied van wonen, financiën en vrije tijd). Het lukt de moeder desondanks niet om haar leven stabiel op de rails te krijgen. Zo had de moeder ten tijde van het raadsonderzoek haar woning nog niet opgeknapt en vergeet ze soms afspraken of komt ze afspraken niet na. Het lukt de moeder gelet op haar eigen problematiek niet om [minderjarige] te bieden wat zij nodig heeft voor een gezonde en veilige ontwikkeling. Er is geprobeerd om via het 2thepointtraject van De Rading te onderzoeken wat er nodig is om [minderjarige] bij de moeder te kunnen laten wonen maar de moeder kwam niet altijd opdagen. Ook is geprobeerd om het NIKA-traject in te zetten vanuit De Rading, waarin bekeken zou worden hoe de moeder met stresssituaties om zou gaan. De moeder reageerde daar dusdanig heftig op dat de moeder niet meer met hen kon samenwerken. In januari 2023 is uiteindelijk besloten dat [minderjarige] niet meer bij de moeder kan opgroeien.
3.5.
Een gezagsbeëindiging is een zeer ingrijpende maatregel, die een inmenging in het gezinsleven van ouder en kind met zich brengt. Er kunnen echter redenen zijn om het gezag niet te beëindigen, ondanks dat aan de wettelijke grondslag daarvoor is voldaan. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat de maatstaf van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) voor gezagsbeëindiging anders is dan die van artikel 1:266 BW. Volgens dit artikel 8 moet een zorgvuldige afweging van de belangen van de ouders en de belangen van het kind worden gemaakt en moet de rechtbank onderzoeken of het doel van de maatregel met een lichtere maatregel bereikt kan worden. Bij een lichtere maatregel kan gedacht worden aan het voortzetten van de huidige situatie in het vrijwillige kader of het voorzetten van het gedwongen kader via een ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing.
3.6.
Anders dan door de advocaat van de moeder bepleit, is de rechtbank van oordeel dat er in dit geval geen lichtere maatregelen mogelijk zijn. Een voortzetting van de huidige situatie in het vrijwillige kader is niet aan de orde. De moeder staat niet volledig achter de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin. Ze werkt wel mee, maar geeft tegelijkertijd ook aan dat zij ieder jaar weer in gesprek wil bij de rechtbank om te bekijken of [minderjarige] mogelijk weer thuis kan wonen. Er is dus nog geen berusting en acceptatie van de situatie bij de moeder. Verder blijft de moeder zorgen uiten over de pleegouders en de wijze waarop zij [minderjarige] opvoeden en verzorgen. De moeder zegt dat zij ziet dat [minderjarige] niet gelukkig is in het pleeggezin. Zij maakt zich zorgen dat [minderjarige] niet genoeg te drinken krijgt in het pleeggezin. Ook zou [minderjarige] volgens haar een keer hardhandig zijn aangepakt door de pleegouders. Daarnaast fluistert [minderjarige] tijdens de omgangsmomenten tegen de moeder: “help mij”. De moeder probeert haar zorgen met de voogd en pleegzorg te bespreken, maar zij voelt zich niet gehoord. De zorgen die de moeder heeft, worden verder door niemand gezien of bevestigd. De rechtbank heeft geen aanleiding om te denken dat de pleegouders niet goed voor [minderjarige] zorgen. Zowel de GI als pleegzorg zien dat [minderjarige] zich gezond ontwikkelt. Daar komt bij dat de moeder en [minderjarige] alleen begeleid contact hebben met elkaar. Deze begeleide omgang vindt de rechtbank een contra-indicatie voor het voortzetten van de huidige situatie in het vrijwillige kader. Bij begeleide omgang is het nodig dat een onafhankelijke derde beslissingen kan nemen over de omgang. Bij een plaatsing in het vrijwillig kader zou deze verantwoordelijkheid bij de moeder komen te liggen.
Ook het voortzetten van de jaarlijkse zittingen bij de rechtbank, in het kader van de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] , acht de rechtbank niet in het belang van [minderjarige] . Een zitting brengt spanning en stress met zich mee. Pleegzorg heeft aangegeven dat dit effect heeft op de omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de moeder (voorafgaand aan een zitting). Daar komt bij dat tijdens een jaarlijkse zitting steeds opnieuw alle zorgen en negatieve punten besproken moeten worden. Dit zet de verhoudingen ieder jaar weer op scherp, terwijl de GI en de pleegouders juist willen investeren in een positieve samenwerking met de moeder.
3.7.
Voor de rechtbank is het duidelijk dat [minderjarige] niet meer bij de moeder zal kunnen opgroeien en de rechtbank vindt het belangrijk dat dit ook voor de moeder, de pleegouders en voor [minderjarige] duidelijk is. Volgens de wet betekent dat dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] is verstreken. [minderjarige] woont al sinds 23 december 2021 in het huidige pleeggezin. Zij ontwikkelt zich daar goed en de pleegouders kunnen goed aansluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft. [minderjarige] is gehecht aan de pleegouders. De rechtbank zal gelet op hetgeen hierboven is overwogen het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigen.
3.8.
De rechtbank begrijpt dat dit een moeilijke en heftige beslissing is voor de moeder. Ondanks de gezagsbeëindiging blijft de moeder altijd de moeder van [minderjarige] . Ook zonder het gezag zal de moeder betrokken blijven in het leven van [minderjarige] . De familieband tussen de moeder en [minderjarige] zal door de gezagsbeëindiging niet doorbroken worden. Integendeel, het is juist heel belangrijk voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] dat de moeder betrokken blijft in haar leven. De moeder behoudt haar recht op omgang met [minderjarige] en zij heeft ook nog steeds recht op informatie over [minderjarige] . Gezien wordt dat de moeder veel van [minderjarige] houdt en dat zij het beste wil voor [minderjarige] .
Dictum
De rechtbank:
4.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige] ;
4.2.
benoemt de GI tot voogd van [minderjarige] ;
4.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.W.V. van Duursen (voorzitter), mr. G.L.M. Urbanus en mr. A.C. van Waning, kinderrechters, in samenwerking met mr. S. Clement, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2024.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
Artikel 1:266 lid 1 sub a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/566262 / FO RK 23-1413
Beëindiging van het ouderlijk gezag
Beschikking van 1 mei 2024
in de zaak van:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Midden-Nederland, hierna: de Raad,
gevestigd in Utrecht,
over het kind: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[moeder]
, hierna: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. N.A. de Kock,
[pleegouders]
, hierna: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland, hierna: de GI.
gevestigd in Utrecht.
Procesverloop
1.1.
De rechtbank heeft het verzoekschrift van de Raad (met bijlagen) op 10 november 2023 ontvangen.
1.2.
De mondelinge behandeling (zitting) stond eerst gepland op 29 februari 2024. Op de ochtend van de zitting heeft de advocaat van de moeder verzocht om uitstel van de zitting, omdat de moeder wegens ziekte niet in staat was om op de zitting te verschijnen. Op die zitting zijn de Raad en de GI wel verschenen, maar de moeder en haar advocaat niet, waarna de rechtbank heeft besloten om de zitting uit te stellen.
1.3.
Het verzoek is vervolgens door de meervoudige kamer (drie rechters) besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 9 april 2024. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat en mevrouw [A] als begeleidster van De Rading (pleegzorgbegeleiding);
de heer [B] namens de Raad;
mevrouw [C] , de betrokken jeugdbeschermer;
de pleegouders.
2Waar de procedure over gaat
2.1.
De moeder heeft het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] staat sinds 9 januari 2019 onder toezicht van de GI. Hierdoor heeft [minderjarige] een jeugdbeschermer. De ondertoezichtstelling van [minderjarige] is na de eerste ondertoezichtstelling telkens verlengd en loopt nu tot 9 januari 2025.
2.3.
Sinds 18 februari 2020 is [minderjarige] met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst. De machtiging tot uithuisplaatsing is daarna telkens verlengd, de laatste keer tot 9 januari 2025.
2.4.
[minderjarige] verblijft sinds 23 december 2021 in het huidige pleeggezin.
2.5.
De Raad vraagt de rechtbank nu om het gezag van de moeder te beëindigen en de GI met de voogdij te belasten. De GI heeft per brief van 17 mei 2023 laten weten dat zij bereid is om de voogdij over [minderjarige] op zich te nemen.
2.6.
De moeder is het daar niet mee eens.
Beoordeling
3.1.
De rechtbank zal de verzoeken van de Raad toewijzen. Dat betekent dat de rechtbank het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigt en de GI met de voogdij over haar belast. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
Gezagsbeëindiging
3.2.
Volgens de wet kan de rechtbank het gezag van een ouder of van beide ouders beëindigen als het kind opgroeit op een manier waardoor zij ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van het kind te dragen binnen een aanvaardbare termijn. De ‘aanvaardbare termijn’ is de periode waarbinnen voor dit kind duidelijk moet zijn waar het zal opgroeien.
3.3.
Dit is het geval. [minderjarige] wordt in haar ontwikkeling ernstig bedreigd. [minderjarige] is in haar jeugd meerdere keren geconfronteerd geweest met de psychiatrische problematiek van de moeder, waardoor zij veel onveiligheid heeft ervaren. Gelet op de zorgen is [minderjarige] al voor haar geboorte onder toezicht gesteld. Op 18 februari 2020 is zij voor het eerst uit huis geplaatst in verband met een gedwongen opname van de moeder. Uiteindelijk is [minderjarige] in juli 2021 in een pleeggezin geplaatst en verblijft zij sindsdien niet meer bij de moeder. Sinds kort heeft [minderjarige] plotseling huilbuien, zonder dat daarvoor aanleiding of reden wordt gezien. [minderjarige] weet dan zelf ook niet waarom ze moet huilen. Er wordt overwogen om hier hulpverlening voor in te zetten zoals speltherapie of Piep de muis. Als [minderjarige] verdrietig is, zoekt ze steun en troost bij de pleegouders.
3.4.
De moeder kan de verzorging en opvoeding van [minderjarige] niet dragen. De moeder heeft een belast verleden. Volgens Altrecht is er bij de moeder sprake van een persoonlijkheidsstoornis en psychotische kwetsbaarheid. Er is door de rechtbank een machtiging afgegeven voor verplichte zorg, voor het toedienen van medicatie. De moeder gaat daarvoor maandelijks naar Altrecht. Verder ontvangt de moeder op alle leefgebieden hulpverlening (zoals op het gebied van wonen, financiën en vrije tijd). Het lukt de moeder desondanks niet om haar leven stabiel op de rails te krijgen. Zo had de moeder ten tijde van het raadsonderzoek haar woning nog niet opgeknapt en vergeet ze soms afspraken of komt ze afspraken niet na. Het lukt de moeder gelet op haar eigen problematiek niet om [minderjarige] te bieden wat zij nodig heeft voor een gezonde en veilige ontwikkeling. Er is geprobeerd om via het 2thepointtraject van De Rading te onderzoeken wat er nodig is om [minderjarige] bij de moeder te kunnen laten wonen maar de moeder kwam niet altijd opdagen. Ook is geprobeerd om het NIKA-traject in te zetten vanuit De Rading, waarin bekeken zou worden hoe de moeder met stresssituaties om zou gaan. De moeder reageerde daar dusdanig heftig op dat de moeder niet meer met hen kon samenwerken. In januari 2023 is uiteindelijk besloten dat [minderjarige] niet meer bij de moeder kan opgroeien.
3.5.
Een gezagsbeëindiging is een zeer ingrijpende maatregel, die een inmenging in het gezinsleven van ouder en kind met zich brengt. Er kunnen echter redenen zijn om het gezag niet te beëindigen, ondanks dat aan de wettelijke grondslag daarvoor is voldaan. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat de maatstaf van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) voor gezagsbeëindiging anders is dan die van artikel 1:266 BW. Volgens dit artikel 8 moet een zorgvuldige afweging van de belangen van de ouders en de belangen van het kind worden gemaakt en moet de rechtbank onderzoeken of het doel van de maatregel met een lichtere maatregel bereikt kan worden. Bij een lichtere maatregel kan gedacht worden aan het voortzetten van de huidige situatie in het vrijwillige kader of het voorzetten van het gedwongen kader via een ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing.
3.6.
Anders dan door de advocaat van de moeder bepleit, is de rechtbank van oordeel dat er in dit geval geen lichtere maatregelen mogelijk zijn. Een voortzetting van de huidige situatie in het vrijwillige kader is niet aan de orde. De moeder staat niet volledig achter de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin. Ze werkt wel mee, maar geeft tegelijkertijd ook aan dat zij ieder jaar weer in gesprek wil bij de rechtbank om te bekijken of [minderjarige] mogelijk weer thuis kan wonen. Er is dus nog geen berusting en acceptatie van de situatie bij de moeder. Verder blijft de moeder zorgen uiten over de pleegouders en de wijze waarop zij [minderjarige] opvoeden en verzorgen. De moeder zegt dat zij ziet dat [minderjarige] niet gelukkig is in het pleeggezin. Zij maakt zich zorgen dat [minderjarige] niet genoeg te drinken krijgt in het pleeggezin. Ook zou [minderjarige] volgens haar een keer hardhandig zijn aangepakt door de pleegouders. Daarnaast fluistert [minderjarige] tijdens de omgangsmomenten tegen de moeder: “help mij”. De moeder probeert haar zorgen met de voogd en pleegzorg te bespreken, maar zij voelt zich niet gehoord. De zorgen die de moeder heeft, worden verder door niemand gezien of bevestigd. De rechtbank heeft geen aanleiding om te denken dat de pleegouders niet goed voor [minderjarige] zorgen. Zowel de GI als pleegzorg zien dat [minderjarige] zich gezond ontwikkelt. Daar komt bij dat de moeder en [minderjarige] alleen begeleid contact hebben met elkaar. Deze begeleide omgang vindt de rechtbank een contra-indicatie voor het voortzetten van de huidige situatie in het vrijwillige kader. Bij begeleide omgang is het nodig dat een onafhankelijke derde beslissingen kan nemen over de omgang. Bij een plaatsing in het vrijwillig kader zou deze verantwoordelijkheid bij de moeder komen te liggen.
Ook het voortzetten van de jaarlijkse zittingen bij de rechtbank, in het kader van de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] , acht de rechtbank niet in het belang van [minderjarige] . Een zitting brengt spanning en stress met zich mee. Pleegzorg heeft aangegeven dat dit effect heeft op de omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de moeder (voorafgaand aan een zitting). Daar komt bij dat tijdens een jaarlijkse zitting steeds opnieuw alle zorgen en negatieve punten besproken moeten worden. Dit zet de verhoudingen ieder jaar weer op scherp, terwijl de GI en de pleegouders juist willen investeren in een positieve samenwerking met de moeder.
3.7.
Voor de rechtbank is het duidelijk dat [minderjarige] niet meer bij de moeder zal kunnen opgroeien en de rechtbank vindt het belangrijk dat dit ook voor de moeder, de pleegouders en voor [minderjarige] duidelijk is. Volgens de wet betekent dat dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] is verstreken. [minderjarige] woont al sinds 23 december 2021 in het huidige pleeggezin. Zij ontwikkelt zich daar goed en de pleegouders kunnen goed aansluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft. [minderjarige] is gehecht aan de pleegouders. De rechtbank zal gelet op hetgeen hierboven is overwogen het gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigen.
3.8.
De rechtbank begrijpt dat dit een moeilijke en heftige beslissing is voor de moeder. Ondanks de gezagsbeëindiging blijft de moeder altijd de moeder van [minderjarige] . Ook zonder het gezag zal de moeder betrokken blijven in het leven van [minderjarige] . De familieband tussen de moeder en [minderjarige] zal door de gezagsbeëindiging niet doorbroken worden. Integendeel, het is juist heel belangrijk voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] dat de moeder betrokken blijft in haar leven. De moeder behoudt haar recht op omgang met [minderjarige] en zij heeft ook nog steeds recht op informatie over [minderjarige] . Gezien wordt dat de moeder veel van [minderjarige] houdt en dat zij het beste wil voor [minderjarige] .
Dictum
De rechtbank:
4.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige] ;
4.2.
benoemt de GI tot voogd van [minderjarige] ;
4.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.W.V. van Duursen (voorzitter), mr. G.L.M. Urbanus en mr. A.C. van Waning, kinderrechters, in samenwerking met mr. S. Clement, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2024.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
Artikel 1:266 lid 1 sub a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).