Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-04-24
ECLI:NL:RBMNE:2024:2620
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,469 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/6100
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R.J. Ouderdorp)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: W.A. Postma).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de beslissing van het Uwv om de uitkering die zij ontving op grond van de Ziektewet (ZW) te beëindigen per 10 mei 2023. Volgens het Uwv kon eiseres namelijk vanaf deze datum de functies verrichten die eerder voor haar geduid waren. Dit staat in beschikking van 4 mei 2023.1.1 Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing. Met het bestreden besluit van 1 november 2023 op het bezwaar van eiseres is het bezwaar ongegrond verklaard.
1.2
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft op 12 februari 2024 aanvullende gronden ingediend.
1.3
Het Uwv heeft op deze aanvullende gronden gereageerd met een rapport van de arbeidsdeskundige van 7 maart 2024 en een gewijzigde beslissing op bezwaar van 14 maart 2024. Het Uwv heeft in deze gewijzigde beslissing op bezwaar alsnog het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en bepaald dat eiseres op en na 10 mei 2023 onveranderd arbeidsongeschikt is in het kader van de ZW.
1.4
Eiseres heeft op 2 april 2024 laten weten dat zij zich kan vinden in de vaststelling dat zij op en na 10 mei 2023 onveranderd arbeidsongeschikt is in het kader van de ZW, maar zij vindt dat het Uwv meer en verdergaande beperkingen had moeten aannemen. Eiseres wil daarom een inhoudelijke beoordeling van haar beroepsgronden.
1.5
Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de rechtbank het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
2. De rechtbank overweegt dat het in deze zaak gaat over de vraag of eiseres vanaf 10 mei 2023 recht heeft op een ZW-uitkering. Met andere woorden: of eiseres op de beoordelingsdatum de eerder geduide functies wel of niet kon verrichten.
2.1
Volgens eiseres was zij niet in staat om de geduide functies te verrichten. Volgens het Uwv in eerste instantie wel. Het Uwv heeft echter met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 14 maart 2024 bepaald dat eiseres deze functies inderdaad toch niet kan verrichten. Daarom heeft het Uwv bepaald dat eiseres op en na 10 mei 2023 onveranderd arbeidsongeschikt wordt beschouwd in het kader van de ZW. Met deze gewijzigde beslissing op bezwaar is het Uwv dus feitelijk geheel aan de bezwaren van eiseres tegemoet gekomen. Dit betekent, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, dat het nadere besluit niet in het geding wordt betrokken. Eiseres heeft geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Eiseres heeft met het beroep bereikt wat zij wilde, namelijk het voortzetten van haar ZW-uitkering. Dit betekent dat het beroep niet‑ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
Conclusie
3. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk.
3.1
Omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar alsnog tegemoet is gekomen aan de bezwaren van eiseres, moet het Uwv wel het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Het Uwv moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding wordt, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 875,- (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1). De kosten in verband met de in bezwaar verleende rechtsbijstand zijn in het besluit van 14 maart 2024 vergoed.
3.2
De rechtbank zal ook het verzoek van eiseres om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente toewijzen. Voor de wijze waarop het Uwv de rente moet berekenen, wijst de rechtbank naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 25 januari 2012.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente als onder 3.2 aangegeven;
- bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 50,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het Uwv tot betaling van € 875,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr. R. van Manen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 april 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958