Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-02-12
ECLI:NL:RBMNE:2024:2525
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,182 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/6585
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2024 in de zaak tussen
Adecco Personeelsdiensten B.V., te Zaltbommel, eiseres,
(gemachtigde: drs. H.E. Wonnink),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,
(gemachtigde: mr. S. Roodenburg).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Artikel 6:2, aanhef en onderdeel b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het niet tijdig nemen van een besluit gelijk wordt gesteld met een besluit. Artikel 6:12, tweede lid, onderdeel b, van de Awb bepaalt dat het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit ingesteld kan worden wanneer twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft meegedeeld dat het in gebreke is. Artikel 6:12, vierde lid, van de Awb bepaalt dat het beroep niet-ontvankelijk is als het beroep onredelijk laat is ingediend.
3. De wetgever heeft geen termijn vastgesteld voor het antwoord op de vraag wanneer een beroep onredelijk laat is ingediend. De beantwoording van de vraag of een beroepschrift dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, onredelijk laat is ingediend, is afhankelijk van de omstandigheden die volgens de belanghebbende de oorzaak zijn dat het beroepschrift zo laat is ingediend.
4. Eiseres heeft haar verzoek om herbeoordeling ingediend op 5 november 2021. Op 8 november 2021 heeft verweerder het verzoek om herbeoordeling ontvangen. In de wet is geen termijn opgenomen waarbinnen verweerder op dit verzoek moet beslissen. In zo’n geval geldt een beslistermijn van acht weken. Dit staat in de artikelen 4:13 en 4:14 van de Awb. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 3 januari 2022 een beslissing op dit verzoek had moeten nemen.
5. Zoals in het procesverloop is vermeld heeft eiseres verweerder op 26 juni 2023 in gebreke gesteld en op 28 december 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar verzoek om herbeoordeling.
6. De rechtbank constateert dat eiseres verweerder voor het eerst bij brief van 26 juni 2023- en daarmee dus ruim een jaar en 5 maanden nadat de beslistermijn was verstreken - er op heeft gewezen dat de beslistermijn is verstreken. Vervolgens heeft zij op 28 december 2023 het onderhavige beroep ingesteld. Nu de ingebrekestelling en het beroepsschrift pas ruim twee jaar nadat eiseres het verzoek heeft gedaan zijn ingediend, is de rechtbank van oordeel dat het beroep onredelijk laat is ingediend, als bedoeld in artikel 6:12, vierde lid, van de Awb. Uit het beroepsschrift van 28 december 2023 is gebleken dat er in de tussentijd meerdere malen telefonisch contact is geweest vanuit eiseres met verweerder. Het is niet duidelijk wanneer deze contactmomenten zijn geweest en hoeveel tijd er tussen de contactmomenten heeft gezeten waarin eiseres geen actie ondernam. Daarbij is ook van belang dat niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan eiseres niet eerder een ingebrekestelling of beroepschrift had kunnen indienen. Als eiseres belang hechtte aan een spoedige beslissing op haar verzoek van 5 november 2021, had het op haar weg gelegen om eerder een ingebrekestelling en beroepschrift in te dienen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar verzoek.
7. Voor een vergoeding van de proceskosten is geen sprake.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2024.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.