Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-04-10
ECLI:NL:RBMNE:2024:2290
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,069 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/2896
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2024 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. C.L. Schuren),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: M. van der Feer).
Inleiding
1.1.
[ex-werknemer] , de (ex-)werknemer van eiseres (de ex-werknemer), heeft van 1 juli 2019 tot en met 30 september 2020 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) van het Uwv ontvangen. Daarnaast heeft de ex-werknemer van 24 februari 2020 tot en met 4 oktober 2020 loon van eiseres ontvangen. Hij is op 9 maart 2020 bij eiseres in dienst getreden. Hij heeft zich op 21 september 2020 ziekgemeld. Het Uwv heeft de ex-werknemer vanaf 19 september 2022 een voorschot op een WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Eiseres is eigenrisicodrager voor de WGA. Dit betekent dat eiseres het risico draagt voor betaling van het daarvoor in aanmerking komende deel van de WGA-uitkering.
1.2.
In een besluit van 26 augustus 2022 (het primaire besluit) heeft het Uwv beslist dat de WGA-uitkering op voorschotbasis van de ex-werknemer aan eiseres wordt toegerekend. Het voorschot op de uitkering is 70% van het voorlopige WIA-maandloon van de ex-werknemer. Eiseres heeft bezwaar tegen dit besluit gemaakt. Volgens eiseres moet het toerekeningpercentage worden vastgesteld op 43%.
1.3.
Op 21 februari 2023 heeft het Uwv een voornemen wijziging beslissing naar eiseres gestuurd. De wijziging houdt in dat eiseres voor 54% het risico draagt voor de WGA-uitkering op voorschotbasis van de ex-werknemer. Eiseres heeft hier schriftelijk op gereageerd dat 39% van de uitkering voor rekening van eiseres zou moeten komen.
1.4.
In een besluit van 22 mei 2023 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard. De WGA-uitkering op voorschotbasis van de ex-werknemer wordt voor 54% aan eiseres toegerekend.
1.5.
Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op 4 januari 2024 gereageerd op een aanvullend beroepschrift van eiseres.
1.6.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2023. Eiseres en het Uwv hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
Beoordelingskader
2. Voordat een verzekerde aanspraak kan maken op een uitkering op grond van de Wet WIA, geldt voor hem een wachttijd van 104 weken vanaf de eerste ziektedag. Indien de ex-werknemer bij aanvang van de wachttijd meer dan één werkgever heeft, wordt een WGA-uitkering betaald door het Uwv, ook in het geval één of meer werkgevers eigenrisicodrager zijn. Artikel 72, tweede lid, van de Wet WIA bepaalt dat het Uwv in deze situatie naar rato van de loonsom de door hem verschuldigde uitkering op grond van de Wet WIA op de eigenrisicodrager verhaalt. In het ‘beleidsbesluit pro-rata toerekenen art. 2:11 Besluit Wfsv en art. 72 WIA’ (het beleidsbesluit) wordt nader ingevuld op welke wijze het Uwv naar rato het toerekenpercentage berekent als er meerdere dienstverbanden zijn op het moment dat de ex-werknemer ziek wordt.
3. Uit het beleidsbesluit volgt dat er bij wisselende inkomsten en meerdere werkgevers naar rato over een bepaalde periode de gemiddelde loonsom wordt vastgesteld. Bij inkomsten die in de afgelopen elf maanden meer dan 5% afwijken, wordt een referteperiode van elf maanden gehanteerd. Dit zijn de elf maanden voorafgaande aan de maand van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Deze situatie doet zich in dit geval voor. Het Uwv heeft de referteperiode daarom vastgesteld op 1 oktober 2019 tot en met 31 augustus 2020. De referteperiode is niet in geschil.
Berekening van het toerekenpercentage door het Uwv
4. In de referteperiode ontving de ex-werknemer op de eerste ziektedag (21 september 2020) salaris van eiseres en een WW-uitkering van het Uwv. Het Uwv wordt in dit kader als werkgever aangemerkt. De ex-werknemer had in de referteperiode dus twee werkgevers. Bij beide werkgevers was sprake van wisselend loon.
5. Omdat er sprake was van wisselende inkomsten en meerdere werkgevers heeft het Uwv de gemiddelde loonsom naar rato vastgesteld. De ex-werknemer heeft vanaf 24 februari 2020 loon van eiseres ontvangen. In de referteperiode heeft de ex-werknemer zeven maanden aaneengesloten loon ontvangen van eiseres. Het totaal in aanmerking te nemen loon van eiseres in de referteperiode bedraagt € 4.312,66. Het gemiddelde loon is € 4.312,66 -/- 7 = € 616,09. Daarnaast heeft de ex-werknemer gedurende de gehele referteperiode een WW-uitkering ontvangen. Het totaal in aanmerking te nemen loon uit WW bedraagt € 5.671,96. Het gemiddelde WW-loon is € 5.671,96 -/- 11 = € 515,63. Het totale gemiddelde maandloon in de referteperiode van elf maanden is daarmee € 1.131,72 (€ 616,09 + € 515,63). Het Uwv heeft aan eiseres een percentage van 54% toegerekend (€ 616,09 -/- € 1.131,72 x 100%).
6. Het Uwv heeft toegelicht dat de ex-werknemer gedurende de gehele referteperiode van elf maanden recht had op een WW-uitkering. Daarom moet volgens het Uwv het gemiddelde maandloon over de gehele referteperiode worden berekend, ook al waren er binnen de referteperiode maanden waarin de WW-uitkering niet is uitgekeerd.
7. Volgens het beleidsbesluit moet er met minder maanden worden vergeleken als de betrokkene minder maanden aan één stuk heeft gewerkt bij een werkgever. Het Uwv heeft toegelicht dat moet worden uitgegaan van zeven maanden aan looninkomsten, omdat de ex-werknemer vanaf 24 februari 2020 loon heeft ontvangen van eiseres en per 9 maart 2020 bij eiseres in dienst is getreden. Indien zou worden uitgegaan van een periode van elf maanden, zou dit geen reëel beeld geven van de inkomsten van de ex-werknemer, aldus het Uwv.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de hiervoor weergegeven uitgangspunten een redelijke uitleg heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 72, tweede lid, van de Wet WIA en het daarbij behorende beleidsbesluit. Dat er volgens eiseres andere berekeningen mogelijk zijn, waarbij wordt uitgegaan van andere loonsomperiodes, doet daar niet aan af. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door het Uwv gehanteerde pro-rata berekening onredelijk is.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit waarin de WGA-uitkering op voorschotbasis voor 54% aan eiseres wordt toegerekend, in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M.T. Bouwman, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 april 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 23, eerste en tweede lid, van de Wet WIA.
Artikel 72, eerste lid, van de Wet WIA.