Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-04-09
ECLI:NL:RBMNE:2024:2145
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,858 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/1935
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. R. Jethoe),
en
Belastingdienst/Toeslagen, verweerder
(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van verweerder om de private schulden van eiseres, als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagenaffaire over te nemen.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 1 september 2022 afgewezen (primair besluit). Met het bestreden besluit van 13 februari 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2. Deze uitspraak gaat over de regeling voor het overnemen van private schulden van gedupeerde ouders van de kinderopvangtoeslagaffaire. Onderdeel van de hersteloperatie toeslagen is dat de overheid private schulden van een gedupeerde ouder en zijn of haar toeslagpartner overneemt, zodat die een schuldenvrije start kan maken. Het overnemen van private schulden wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN), namens het bestuursorgaan de Belastingdienst/Toeslagen.
3. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft een schuldenlijst aan verweerder gestuurd en heeft verzocht om de overname van haar schuld bij de ABN AMRO Bank (ABN) van € 15.000,- (de Service Lening).
Bestreden besluit
4. Verweerder heeft de overname van deze schuld afgewezen omdat het een financieel product is van een bank (een formele schuld) die niet aan de daarvoor gestelde voorwaarden voldoet. Verweerder betaalt dit soort schulden op grond van artikel 4.1, tweede lid, namelijk alleen als de betalingsachterstand ontstaan is tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021. Verweerder stelt zich op het standpunt dat, nu de oorspronkelijke schuld (een ondernemerskrediet) per 30 juli 2018 is geherfinancierd met de Service Lening, niet aan deze voorwaarde wordt voldaan. De oude schuld is met de herfinanciering geheel voldaan en ten aanzien van de nieuwe schuld – de Service Lening – bestaan er geen betalingsachterstanden. Volledigheidshalve stelt verweerder verder dat niet is aangetoond dat er opeisbare betalingsachterstanden bestonden ten aanzien van de oude schuld in de periode na 31 december 2005 en voor 1 juni 2021.
Standpunt eiseres
5. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de overname van haar schuld.
5.1.
Allereerst voert eiseres aan dat de schuld van € 15.000,- bij de ABN ten onrechte niet wordt overgenomen. De schuld betrof in eerste instantie een doorlopend krediet ten behoeve van haar eenmanszaak (het ondernemerskrediet). Het krediet was volledig opgenomen waardoor er een achterstand was ontstaan. Door de achterstand was de schuld opeisbaar geworden. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor overname van deze schuld. Feit dat vervolgens deze schuld in juli 2018, middels herstructurering/herfinanciering, is ondergebracht in de Service Lening, maakt dat niet anders. De schuld dient nog steeds voldaan te worden, en omdat het een schuld betreft die vóór 1 juni 2021 opeisbaar was, moet de schuld worden overgenomen.
5.2.
Daarnaast voert eiseres aan dat het primaire besluit onvoldoende is gemotiveerd omdat slechts verwezen is naar een code 4 op een lijst in de bijlage. Deze motivering is slechts een algemene motivering en niet toegespitst op de specifieke situatie van eiseres. Daarmee is niet voldaan aan artikel 3:36 en 3:47, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het bestreden besluit is dit ook door verweerder onderkend doordat daarin staat dat met voornoemde code en de in het bestreden besluit gegeven motivering sprake is van een deugdelijke motivering. Verweerder had daarom het bezwaar van eiseres gegrond moeten verklaren.
5.3.
Tot slot is eiseres van oordeel dat zij in bezwaar ten onrechte niet is gehoord.
Had verweerder de schuld moeten overnemen?
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de private schuld van eiseres terecht niet heeft overgenomen omdat deze niet voldoet aan het vereiste van opeisbaarheid. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
Wettelijk kader
7. Toen het primaire besluit genomen werd, gold als grondslag voor de besluitvorming het Besluit betalen private schulden (het Besluit). Het Besluit was vastgesteld vooruitlopend op nieuwe wetgeving over de hersteloperatie om gedupeerde ouders tegemoet te komen. Ten tijde van het bestreden besluit was het Besluit (per 2 november 2022) verankerd in afdeling 4.1 van de Wht. Deze afdeling heeft terugwerkende kracht tot en met 29 oktober 2021. Besluiten vanaf die datum over het al dan niet overnemen van private schulden in het kader van de hersteloperatie toeslagen, worden aangemerkt als beschikkingen die zijn gegeven krachtens het artikel van afdeling 4.1 waarin de desbetreffende herstelregeling is opgenomen. Dit betekent dat de rechtbank in deze zaak toetst aan de bepalingen van de Wht. De vereisten die de Wht stelt voor het overnemen en het betalen van private schulden zijn – in deze zaak – gelijk aan de vereisten die het Besluit stelde.
8. Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht neemt de Belastingdienst/Toeslagen een schuld over als deze:
is ontstaan ná 31 december 2005 (sub a);
vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden (sub b); en
niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan (sub c).
Schulden die in ieder geval niet worden overgenomen, zijn resterende hoofdsommen van leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden.
Is de schuld opeisbaar?
9. De rechtbank overweegt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 4.1, tweede lid, van de Wht. Uit een overgelegde verklaring van ABN blijkt dat eiseres voor de terugbetaling van haar schuld op grond van de Service Lening geen betalingsachterstand heeft. Op zitting heeft eiseres weliswaar gesteld dat wel sprake is van een achterstand, maar zij heeft dat onvoldoende onderbouwd. Verweerder heeft daarom mogen aannemen dat er geen sprake is van een opeisbare vordering. Feit dat sprake is van een situatie van herfinanciering maakt dit niet anders.
9.1.
De rechtbank ziet daarin (de herfinanciering) ook geen aanleiding om op basis van de hardheidsclausule (artikel 9.1 Wht) van voornoemde voorwaarde dat sprake is van een opeisbare schuld/betalingsachterstand af te wijken. Artikel 9.1 van de Wht bepaalt dat van artikel 4.1 kan worden afgeweken voor zover toepassing zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Voor toepassing van deze hardheidsclausule is vereist dat er bijzondere omstandigheden zijn die door de wetgever niet zijn voorzien en die tot een schrijnende situatie leiden. Daarvan is geen sprake. Uit de memorie van toelichting van de Wht blijkt dat de voorwaarde dat de schuld opeisbaar moet zijn welbewust in de regeling is opgenomen en dat het doel van de regeling voor het overnemen voor private schulden is om alleen openstaande betalingsachterstanden op geldschulden over te nemen om zo problematische situaties met schuldeisers te voorkomen. De regeling heeft niet tot doel om gedupeerden volledig te vrijwaren van betalingsverplichtingen. De regeling ziet dus niet op een situatie zoals die van eiseres, waarbij er geen sprake is van een betalingsachterstand. Ook verder heeft eiseres geen omstandigheden aangevoerd die op zichzelf onmiskenbaar onbillijk zijn en leiden tot een schrijnende situatie, gelet op het doel van de regeling. Dit te meer nu – anders dan eiseres stelt – niet duidelijk is of sprake was van een betalingsachterstand voor de oude schuld (het ondernemerskrediet) ten tijde van de herfinanciering. Dit blijkt niet duidelijk uit de door eiseres overgelegde stukken. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Is sprake van een motiveringsgebrek?
10. Voor wat betreft de stelling van eiseres stelt dat verweerder in het primaire besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom haar schuld bij de ABN niet wordt overgenomen, overweegt de rechtbank als volgt. Het enkel verwijzen naar een code in een bijlage is weliswaar beperkt, maar niet onduidelijk nu in de bijlage de betekenis van de code is uitgelegd. Om die reden kan niet worden gesproken over een motiveringsgebrek.
Conclusie
14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Verweerder moet wel het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.750,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 50,- aan eiseres moet vergoeden;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Ait-Imchi, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2024.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit staat in artikel 9.2, eerste lid, onder j, van de Wht.
Dit staat in artikel 8.6 van de Wht.
Kamerstukken II 2021/22, 36151, nr. 3, blz. 162.
Kamerstukken II, 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 44.