Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-04-24
ECLI:NL:RBMNE:2024:2019
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,120 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 10687439 \ UC EXPL 23-5905
Vonnis van 24 april 2024
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. R.M. Poublon,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
1. [gedaagde sub 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,2. [gedaagde sub 2],
wonend te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
gemachtigde: mr. A.T.J.W. van Heumen
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding; - de conclusie van antwoord;
- de mondelinge behandeling van 26 maart 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2Waar deze zaak over gaat
2.1.
[eiseres] heeft in februari en maart 2022 aan [gedaagde sub 2] offertes uitgebracht voor het aanleggen van een zwembad met jetstream en het leveren van terrastegels. Na ontvangst van de eerste facturen heeft [gedaagde sub 2] gevraagd om de facturen op naam van [gedaagde sub 1] te zetten. Daarop heeft [eiseres] de facturen gecrediteerd en nieuwe facturen gestuurd ten name van [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] heeft de facturen met betrekking tot de aanleg van het zwembad en de levering van de terrastegels betaald.
2.2.
Partijen hebben mondeling een aanvullende overeenkomst gesloten over het plaatsen van tegels in het tuinhuis en aanleggen van twee terrassen. Daarbij is afgesproken dat [eiseres] dat niet zelf zou doen, maar dat door een onderaannemer ( [bedrijf] bv) zou laten uitvoeren. Voor die werkzaamheden is op 19 juli 2022 een eerste factuur gestuurd van € 11.766,67 inclusief btw, die door [gedaagde sub 1] is betaald. Op 19 augustus 2022 is voor die werkzaamheden (en nog wat materiaal ten behoeve van het zwembad) een tweede factuur gestuurd van € 17.562,37 inclusief btw, die door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onbetaald is gelaten.
2.3.
[eiseres] vordert om [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 17.562,37 te vermeerderen met de contractuele rente en € 950,62 aan buitengerechtelijke incassokosten.
2.4.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren verweer en vragen om de vordering af te wijzen.
Beoordeling
3.1.
De kantonrechter zal beslissen dat [gedaagde sub 2] € 17.562,37 moet betalen aan [eiseres] en dat [gedaagde sub 1] niet hoeft te betalen. Hieronder legt de kantonrechter uit waarom.
[gedaagde sub 2] heeft de overeenkomst gesloten en is de partij die moet betalen
3.2.
De offertes zijn uitgebracht aan en geaccepteerd door [gedaagde sub 2] , dus dat is de partij met wie de overeenkomst is gesloten. Dat daarna, op verzoek van [gedaagde sub 2] , de facturen op naam van [gedaagde sub 1] zijn gezet betekent niet dat [gedaagde sub 1] partij is geworden bij de overeenkomst.
De inhoud van de overeenkomst
3.3.
Partijen zijn het er over eens dat er geen vaste aanneemsom is afgesproken voor de aanleg van de terrassen, maar dat er zou worden gefactureerd op regiebasis, wat inhoudt dat de gewerkte uren worden betaald. Partijen zijn het niet eens over welk uurtarief tussen hen geldt. [eiseres] heeft haar gebruikelijke uurtarief van € 67,75 ex btw in rekening gebracht en stelt dat dat zo is afgesproken. [gedaagde sub 2] stelt dat dat niet is afgesproken en vindt het uurtarief niet redelijk. De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] haar eigen uurtarief mocht rekenen. [gedaagde sub 2] was bekend met het uurtarief van [eiseres] , dat immers al was vermeld in de offerte voor de jetstream. [gedaagde sub 2] heeft niet gesteld op grond waarvan hij ervan uit zou mogen gaan dat voor de aanvullende werkzaamheden een ander uurtarief zou worden gehanteerd. [gedaagde sub 2] heeft tegen dit uurtarief ook niet geprotesteerd na ontvangst van de factuur van 19 juli 2022, waarop dit uurtarief is vermeld. Daarnaast was het de uitdrukkelijke wens van [gedaagde sub 2] om de opdracht voor het leggen van het terras via [eiseres] te laten lopen om ontzorgd te worden. [gedaagde sub 2] heeft geen gebruik gemaakt van de door [eiseres] aangeboden optie om rechtstreeks met [bedrijf] bv te contracteren. Dat [gedaagde sub 2] achteraf het idee heeft dat het goedkoper had gekund, maakt niet dat hij het gebruikelijke uurtarief niet hoeft te betalen.
Incassokosten en rente
3.4.
[gedaagde sub 2] heeft - in elk geval overwegend - gehandeld als consument en de kantonrechter moet dus beoordelen of de toepasselijke algemene voorwaarden onredelijk bezwarende bedingen bevatten. De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is ten aanzien van de rente, die met 1% per maand hoger is dan de wettelijke handelsrente op de datum van het aangaan van de overeenkomsten. Ook het beding over de buitengerechtelijke incassokosten is onredelijk bezwarend, omdat daarin staat dat de kosten minimaal 15% van het factuurbedrag belopen, met een minimum van € 75,00, ook zonder dat een aanmaningsbrief is verzonden. Dat artikel 9.6 van de algemene voorwaarden afsluit met de woorden ‘tenzij enige wettelijke bepaling zich daartegen verzet’ maakt dat niet anders. Die bepaling maakt immers niet dat de consument weet waar hij aan toe is. Dat betekent dat de gevorderde kosten en rente zullen worden afgewezen.
Proceskosten
3.5.
[gedaagde sub 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten (inclusief de nakosten) worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:
- dagvaarding € 110,55
- griffierecht € 1.348,00
- salaris gemachtigde € 812,00 (2 punten x tarief € 406,00)
- nakosten € 135,00
Totaal € 2.405,55
3.6.
Jegens [gedaagde sub 1] is [eiseres] de in het ongelijk gestelde partij en zal zij diens proceskosten moeten betalen. De proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] worden begroot op nihil omdat [gedaagde sub 1] .
Dictum
De kantonrechter:
jegens [gedaagde sub 2]
4.1.
veroordeelt [gedaagde sub 2] om aan [eiseres] tegen bewijs van kwijting te betalen € 17.562,37;
4.2.
veroordeelt [gedaagde sub 2] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 2.405,55, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde sub 2] ook de kosten van betekening betalen;
4.3.
veroordeelt [gedaagde sub 2] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
4.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af;
jegens [gedaagde sub 1]
4.6.
wijst de vordering jegens [gedaagde sub 1] af;
4.7.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2024.
Anders dan waar partijen tijdens de mondelinge behandeling van uitgingen, is die offerte overgelegd als onderdeel van productie 2 bij de dagvaarding.