Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-03-20
ECLI:NL:RBMNE:2024:1691
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,895 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/4197
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. C.W.P. van den Berg).
Inleiding
Eiseres werkte als docente Engels voor gemiddeld 29,43 uur per week. Op 20 maart 2019 is zij ziek uitgevallen voor dit werk. Na het einde van haar dienstverband ontving zij een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Bij de eerstejaarsziektewetbeoordeling werd haar ZW-uitkering beëindigd, maar na bezwaar is de ZW-uitkering vanaf 19 april 2020 hervat. Op 17 maart 2021 bereikte eiseres het einde van de wachttijd. Zij heeft per die datum een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (Wet WIA) gedaan. Vanaf 17 maart 2021 heeft eiseres een WIA-uitkering ontvangen. Deze werd berekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%.
Op 4 november 2021 heeft de werkgever van eiseres een herbeoordeling aangevraagd in verband met een verslechtering van haar gezondheidstoestand.
Een verzekeringsarts van het Uwv heeft eiseres onderzocht en beperkingen voor haar vastgesteld. Deze beperkingen zijn opgenomen in een functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 29 augustus 2022. Aan de hand van deze FML heeft een arbeidsdeskundige van het Uwv geconcludeerd dat eiseres niet geschikt is voor haar eigen werk als docente Engels. De arbeidsdeskundige heeft drie functies en twee reserve functies geduid, die eiseres ondanks haar beperkingen nog wel kan verrichten. De arbeidsdeskundige heeft op basis van de middelste van de drie geduide functies berekend dat eiseres voor 30,99% arbeidsongeschikt is. Met het besluit van 3 oktober 2022 (het primaire besluit) heeft het Uwv de WIA-uitkering van eiseres per 4 december 2022 beëindigd.
Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt, omdat zij vindt dat er onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten. In bezwaar heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv opnieuw onderzoek gedaan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert dat eiseres meer beperkt is dan aangenomen in de FML van 29 augustus 2022. Daarom heeft hij een nieuwe FML (de FML van 14 april 2023) opgesteld. Aan de hand van deze FML concludeert de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat eiseres voor 65,59% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd.
Op 25 april 2023 heeft het Uwv aan eiseres bericht dat hij voornemens is zijn eerdere besluit te wijzigen met dien verstande dat het Uwv uitgaat van een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%. In reactie op dit voornemen heeft eiseres op 9 mei 2023 een zienswijze ingediend. Hierop is gereageerd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 11 juli 2023 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 6 juni 2023. In de beslissing van 11 juli 2023 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en bepaald dat eiseres vanaf 4 december 2022 doorlopend recht heeft op een WIA-uitkering.
Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is behandeld op de zitting van 12 februari 2024. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Geschil
7. Volgens het Uwv is eiseres per 4 december 2022, 65,59% arbeidsongeschikt. Eiseres is het hier niet mee eens. Eiseres vindt dat haar arbeidsongeschiktheidspercentage hoger ligt. Zij is van mening dat dat zij op 4 december 2022 meer beperkt was dan aangenomen en niet in staat was de geduide functies te verrichten. Aan de hand van wat eiseres heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank het standpunt van het Uwv. Het gaat daarbij om de medische toestand van eiseres op 4 december 2022. Beoordeling van het geschil
8. Bij haar beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel aan de volgende drie voorwaarden voldoen. De rapporten:
zijn op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen;
bevatten geen tegenstrijdigheden;
zijn voldoende begrijpelijk.
De rapporten en besluiten zijn in beroep aanvechtbaar. Het is echter aan de eisende partij om aan te voeren (en zo nodig aannemelijk te maken) dat de rapporten niet aan de drie genoemde voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Niet-medisch geschoolden kunnen aannemelijk maken dat niet aan de drie genoemde voorwaarden is voldaan. Voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Dit betekent dat hoe eiseres zichzelf voelt zonder dat daar een medische onderbouwing voor is, niet genoeg is om bij de rechtbank gelijk te krijgen.
Zorgvuldigheid van het onderzoek
9. Eiseres heeft geen gronden aangevoerd met betrekking tot de zorgvuldigheid van het onderzoek. De rechtbank ziet ook geen aanleiding het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten. De primaire verzekeringsarts heeft dossierstudie verricht en eiseres lichamelijk en psychisch onderzocht op het fysieke spreekuur van 2 augustus 2022. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook dossierstudie verricht en was aanwezig bij de hoorzitting van 11 april 2023. Op 11 april 2023 heeft er een aanvullend verzekeringsgeneeskundig onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep plaatsgevonden. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de door eiseres overgelegde informatie betrokken bij de heroverweging.De medische beoordeling De cognitieve klachten van eiseres
10. Eiseres voert aan dat de medische beoordeling onjuist is, omdat haar klachten en beperkingen zijn onderschat. Zij stelt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende rekening heeft gehouden met haar cognitieve klachten die het gevolg zijn van haar schildklierproblematiek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep meent simpelweg dat hiermee voldoende rekening is gehouden door slechts een urenbeperking aan te nemen. Volgens eiseres dienen er beperkingen aangenomen te worden op het vasthouden en verdelen van aandacht, herinneren in het dagelijks functioneren, handelingstempo, geen werkzaamheden met verhoogd risico, omgaan met conflicten en emotionele problemen van andere hanteren.
10.1.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet volgens zijn rapport van 14 april 2023 reden om meer beperkingen aan te nemen dan de primaire arts, omdat de stabilisatie van eiseres’ medische beeld zich niet heeft voortgezet. Alle informatie in ogenschouw genomen is er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep de afgelopen jaren een niet significant gewijzigd beeld. Bij de voorgaande beoordelingen, waaronder een eerder bezwaar, werden gezien de ziektebeelden ruime beperkingen plausibel geacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep acht deze beperkingen onverminderd van toepassing, door de consistentie, de medische gegevens en zijn eigen bevindingen. Hij heeft daarom de ten tijde van het eerdere bezwaar opgestelde FML geactualiseerd. De rechtbank begrijpt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierbij verwijst naar de FML van 10 september 2020 opgesteld door verzekeringsarts [A] . In het aanvullende rapport van 11 juli 2023 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in reactie op de beroepsgronden slechts herhaald dat de belastbaarheid van voorheen is aangehouden en dat eiseres ruim is gevolgd in haar medische klachten en beperkingen en daarnaast aangegeven dat er voor verdergaande beperkingen aanvullende, nieuwe medisch objectiveerbare feiten aanwezig moeten zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is niet concreet ingegaan op het standpunt van eiseres dat zij door haar cognitieve klachten meer beperkingen heeft dan een urenbeperking. Het Uwv heeft dit op de zitting ook niet nader kunnen toelichten.
10.2.
De rechtbank vindt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd tot welke beperkingen de cognitieve klachten van eiseres leiden. Dit blijkt namelijk niet uit de rapportages. Ook is niet duidelijk waarom gezien de ziektebeelden van eiseres volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep sprake is van “ruime beperkingen”. De rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn zeer summier en verwijzen naar de belastbaarheid zoals die eerder is aangenomen zonder concreet in te gaan op de medische situatie van eiseres. Het lijkt erop dat de cognitieve klachten die eiseres stelt te hebben door haar schildklierproblematiek volgens het Uwv slechts tot een urenbeperking leiden, maar het is niet inzichtelijk waarom dit zo is. Daarnaast constateert de rechtbank dat er in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep wel is genoemd dat eiseres behoort tot de kleine groep patiënten met niet instelbare schildklierproblematiek, maar niet is uitgewerkt of dat gevolgen heeft voor haar belastbaarheid en zo ja welke. Tenslotte valt op dat de beperking voor omgaan met conflicten uit de FML van 10 september 2020 (item 2.8.1.) niet is overgenomen in de FML van 14 april 2023.
Trillingsbelasting en tocht
11. Eiseres stelt verder dat zij beperkt moet worden geacht op het item trillingsbelasting en tocht, mede vanwege de urticaria.
11.1.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep is in de rapportages van 14 april 2023 en11 juli 2023 niet concreet ingegaan op trillingsbelasting en tocht. In de rapportage van 11 juli 2023 is hierover enkel vermeld “zie beschouwing”.
11.2.
Uit het overgelegde journaal van de huisarts van 4 april 2023 blijkt dat eiseres chronische urticaria heeft en wordt verwezen naar druk, water, temperatuur en trillingen. Voor het item temperatuur is in de FML een beperking opgenomen in item 3.1.2. Een motivering waarom er geen beperking is aangenomen voor de items trillingsbelasting en tocht ontbreekt. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen beperking voor de items trillingsbelasting en tocht is aangenomen. Ook hierdoor is sprake van een motiveringsgebrek.
Tussenconclusie
12. Op basis van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat in de verzekeringsgeneeskundige rapporten die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit niet inzichtelijk is gemotiveerd dat er geen aanleiding is om voor de cognitieve klachten van eiseres en voor trillingsbelasting en tocht meer beperkingen aan te nemen. Het bestreden besluit is daarom niet voorzien van een deugdelijke motivering en dus in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beroepsgrond slaagt. De rechtbank gaat in de conclusie van deze tussenuitspraak in op de gevolgen hiervan voor partijen.
13. De rechtbank heeft de taak het geschil zo mogelijk definitief te beslechten. Met het oog daarop zal de rechtbank nu daarom voor zover mogelijk al oordelen over de overige, inhoudelijke beroepsgronden van eiseres.
Geluidbelasting
14. Eiseres voert verder aan dat zij beperkt moet worden geacht op het item geluidsbelasting (item 3.6).
Conclusie
19. Aan het bestreden besluit kleven motiveringsgebreken, waardoor het besluit in strijd is met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is genomen. Het Uwv kan deze gebreken herstellen. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om het Uwv met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid te stellen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Dat herstellen kan het Uwv met een aanvullende motivering doen, maar dat kan ook met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het bestreden besluit. Aan het Uwv wordt verzocht om nader te onderbouwen of de gestelde cognitieve klachten van eiseres als gevolg van haar schildklierproblematiek aanleiding geven tot het opnemen van aanvullende beperkingen in de FML en waarom het item omgaan met conflicten (item 2.8.1.) niet is overgenomen in de FML van 14 april 2023. De rechtbank wijst erop dat de schildklierproblematiek van eiseres moeilijk instelbaar is en dat zij stukken uit een boek geschreven door wetenschapper Antonio C. Bianco heeft overgelegd, waaruit blijkt welke symptomen moeilijk instelbare patiënten ervaren. Tot slot dient het Uwv nader te motiveren waarom er mede vanwege urticaria wel of geen beperking voor de items trillingsbelasting en tocht moet worden aangenomen. Vervolgens moet het Uwv deze informatie betrekken bij het arbeidskundig onderzoek, indien daartoe aanleiding bestaat.
20. De rechtbank ziet nu geen reden om een endocrinoloog te benoemen, omdat zij de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de gelegenheid stelt om het motiveringsgebrek te herstellen.
21. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het Uwv het gebrek kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak. Als het Uwv geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, moet hij dat op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken meedelen aan de rechtbank. Als het Uwv wel gebruik maakt van die gelegenheid zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het Uwv. In beide gevallen en in de situatie dat het Uwv de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank in principe zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
Geschil
23. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Dictum
De rechtbank:
- draagt het Uwv op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
- stelt het Uwv in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van mr. D. Burggraaf, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.