Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-01-25
ECLI:NL:RBMNE:2024:1241
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,324 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/6183
uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 januari 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , wonende in [woonplaats] , verzoekster
en
Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening dat verzoekster heeft ingediend op 15 december 2023.
Overwegingen
2. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Het verzoekschrift voldoet namelijk niet aan de wettelijke eisen, waardoor de voorzieningenrechter de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de voorzieningenrechter dat verder uit.
Griffierecht
3. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient moet griffierecht betalen. Dit is geregeld in artikel 8:82 van de Awb in samenhang gelezen met artikel 8:41, van de Awb. In dit geval is het griffierecht € 184,-.
4. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald, dan is de hoofdregel dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar verzoekster niets aan kan doen.
5. De griffier heeft bij aangetekend schrijven van datum 20 december 2023 verzoekster in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. De voorzieningenrechter stelt vast dat de rechtbank het bedrag niet heeft ontvangen. Verzoekster heeft geen geldige reden voor dit verzuim gegeven.
Bestreden besluit en bezwaarschrift
6. Verzoekster heeft in haar verzoek gevraagd om een spoed financiële maatregel in “het besluit van de Staat der Nederlanden Schade fonds Geweldsmisdrijven kenmerk 90850 kenmerk Raad van State gericht aan de Minister van J&V 201806029 van 24 juli 2018”. Verzoekster heeft bij haar verzoek diverse eigen brieven en e-mails, als ook een aangifte, een brief van het Schadefonds Geweldsmisdrijven van 29 mei 2015 en een beschikking van het Gerechtshof in Den Haag van 1 december 1998 gevoegd, maar niet het door haar genoemde besluit.
7. Iemand die hangende een bezwaarprocedure een verzoek om een voorlopige voorziening indient, moet een kopie van het bestreden besluit indienen en een kopie van het bezwaarschrift. Dit staat in artikel 6:5 in samenhang gelezen met artikel 8:81 van de Awb. Als dat niet gebeurt, dan geldt wederom de hoofdregel dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom er geen kopie van een bezwaarschrift of een kopie van het bestreden besluit is ingediend. Het gaat dan om omstandigheden waar verzoekster niets aan kan doen.
7. De griffier heeft verzoekster op 20 december 2023 een brief gestuurd, waarin staat dat zij binnen twee weken een kopie moet overleggen van het besluit waar zij het niet mee eens is en een kopie van het bezwaarschrift dat zij heeft ingediend bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.
8. Verzoekster heeft niet gereageerd op deze brief. Verzoekster heeft geen geldige reden voor dit verzuim gegeven. De voorzieningenrechter stelt daarom vast dat verzoekster geen kopie van het bestreden besluit en geen kopie van het bezwaarschrift heeft ingediend.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening
niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
25 januari 2024.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/6183
uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 januari 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , wonende in [woonplaats] , verzoekster
en
Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening dat verzoekster heeft ingediend op 15 december 2023.
Overwegingen
2. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Het verzoekschrift voldoet namelijk niet aan de wettelijke eisen, waardoor de voorzieningenrechter de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de voorzieningenrechter dat verder uit.
Griffierecht
3. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient moet griffierecht betalen. Dit is geregeld in artikel 8:82 van de Awb in samenhang gelezen met artikel 8:41, van de Awb. In dit geval is het griffierecht € 184,-.
4. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald, dan is de hoofdregel dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waar verzoekster niets aan kan doen.
5. De griffier heeft bij aangetekend schrijven van datum 20 december 2023 verzoekster in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. De voorzieningenrechter stelt vast dat de rechtbank het bedrag niet heeft ontvangen. Verzoekster heeft geen geldige reden voor dit verzuim gegeven.
Bestreden besluit en bezwaarschrift
6. Verzoekster heeft in haar verzoek gevraagd om een spoed financiële maatregel in “het besluit van de Staat der Nederlanden Schade fonds Geweldsmisdrijven kenmerk 90850 kenmerk Raad van State gericht aan de Minister van J&V 201806029 van 24 juli 2018”. Verzoekster heeft bij haar verzoek diverse eigen brieven en e-mails, als ook een aangifte, een brief van het Schadefonds Geweldsmisdrijven van 29 mei 2015 en een beschikking van het Gerechtshof in Den Haag van 1 december 1998 gevoegd, maar niet het door haar genoemde besluit.
7. Iemand die hangende een bezwaarprocedure een verzoek om een voorlopige voorziening indient, moet een kopie van het bestreden besluit indienen en een kopie van het bezwaarschrift. Dit staat in artikel 6:5 in samenhang gelezen met artikel 8:81 van de Awb. Als dat niet gebeurt, dan geldt wederom de hoofdregel dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom er geen kopie van een bezwaarschrift of een kopie van het bestreden besluit is ingediend. Het gaat dan om omstandigheden waar verzoekster niets aan kan doen.
7. De griffier heeft verzoekster op 20 december 2023 een brief gestuurd, waarin staat dat zij binnen twee weken een kopie moet overleggen van het besluit waar zij het niet mee eens is en een kopie van het bezwaarschrift dat zij heeft ingediend bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.
8. Verzoekster heeft niet gereageerd op deze brief. Verzoekster heeft geen geldige reden voor dit verzuim gegeven. De voorzieningenrechter stelt daarom vast dat verzoekster geen kopie van het bestreden besluit en geen kopie van het bezwaarschrift heeft ingediend.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening
niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
25 januari 2024.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).