Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-09-14
ECLI:NL:RBMNE:2023:7780
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,854 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: 22/257
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 september 2023 in de zaak tussen
[eiseres] C.V., eiseres,
(beweerdelijk gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Vijfheerenlanden, verweerder.
Verder heeft als partij aan de zaak deelgenomen:
de Staat der Nederlanden (de minister voor Rechtsbescherming).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat mr. D.A.N. Bartels MRE (Bartels) beweerdelijk namens eiseres heeft ingediend tegen het besluit van de heffingsambtenaar van de gemeente Vijfheerenlanden (verweerder).
De zitting heeft middels een MS-Teams verbinding plaatsgevonden op 4 september 2023. Eiseres is zelf niet verschenen, maar Bartels wel. Namens de heffingsambtenaar zijn de heer [persoon 1] en de heer [persoon 2] verschenen.
Overwegingen
1. In het beroepschrift heeft Bartels volstaan met de vermelding dat het beroep is ingesteld namens een belanghebbende, zonder de gegevens van de persoon namens wie hij beroep instelt te vermelden, met daarbij de opmerking dat de gemeente anoniem uitspraak heeft gedaan. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat de artikelen 6:5 en 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) er toe strekken om het niet mogelijk te maken beroep in te stellen namens nog onbekende personen. Het betreft hier geen vormverzuim dat op grond van artikel 6:6 van de Awb kan worden hersteld. De in artikel 8:1, in samenhang met de artikelen 6:7 en 6:11 van de Awb, neergelegde regeling met betrekking tot de beroepstermijn brengt met zich dat de identiteit van degenen namens wie beroep wordt ingesteld, voor afloop van de beroepstermijn kenbaar moet zijn. Deze rechtspraak is ook van toepassing in het belastingrecht.
2. In dit geval liep de beroepstermijn tot en met 25 februari 2022. De rechtbank heeft Bartels op 20 januari 2022 gevraagd naar (onder andere) de naam en het adres van eiseres. Bartels heeft in zijn brief van 23 februari 2022, ontvangen door de rechtbank op 25 februari 2022, verwezen naar het inleidende beroepsschrift en/of het aanslagbiljet. Met zijn brief van 25 februari 2022, ontvangen door de rechtbank op 1 maart 2022, stuurt Bartels een volmacht op van [persoon 3] . De rechtbank stelt vast dat Bartels niet tijdig stukken heeft overgelegd waaruit de identiteit van degene namens wie hij beroep heeft ingesteld blijkt. De identiteit van eiseres was dus niet binnen de beroepstermijn bekend. Het is eveneens vaste rechtspraak van de Afdeling dat een dergelijk verzuim zich niet leent voor herstel. De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de Afdeling van 20 juli 2016 en 20 juli 2005 (ECLI:NL:RVS:2016:980)
3. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk (artikel 8:54 Awb). Daarom zal het beroep niet inhoudelijk worden behandeld.
4. Voor een vergoeding van de proceskosten is geen aanleiding.
Overschrijding redelijke termijn
5. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Vanwege dit verzoek is de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat) aangemerkt als partij in deze zaken. De minister voor Rechtsbescherming voert het beleid dat hij in dit soort zaken geen verweer voert. De rechtbank heeft de minister daarom niet uitgenodigd voor de zitting.
6. Het is niet uitgesloten dat in een procedure over een niet-ontvankelijk beroep een vergoeding kan worden toegekend voor geleden immateriële schade. Op grond van
artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) moeten belastinggeschillen immers binnen een redelijke termijn worden berecht. Er geldt dat wel als voorwaarde dat sprake is van een situatie waarin het geschil inhoudelijk aan de rechter is voorgelegd. Aan die voorwaarde is niet voldaan als niet binnen de beroepstermijn identiteit van eiseres is overlegd. De rechtbank verwijst hiervoor naar een arrest van de Hoge Raad van 2 december 2016. Uit dat arrest volgt dat er in beginsel geen uitspraak hoeft te worden gedaan over een verzoek tot toekenning van immateriële schadevergoeding wegens een overschrijding van de redelijke termijn, als het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat niet is voldaan aan de vereiste om binnen de beroepstermijn de identiteit van eiseres in te dienen.
7. Dat is slechts anders als de rechtbank uitspraak doet op het beroep nadat sinds het instellen van het beroep meer dan anderhalf jaar is verstreken. De rechtbank heeft het beroepschrift van eiseres ontvangen op 14 januari 2022. Op het moment van deze uitspraak is er dus meer dan anderhalf jaar verstreken.
8. Net als in haar uitspraak van 21 december 2022 (ECLI:NL:RBMNE:2022:5547) oordeelt de rechtbank dat de bestuursrechter moet differentiëren bij de toekenning van een schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn en dat de huidige door de hoogste bestuursrechter toegepaste forfaitaire vergoeding van € 500,- per half jaar te grofmazig is. Net als in die uitspraak oordeelt de rechtbank niet over een nieuw forfaitair tarief, maar beoordeelt zij waar de overschrijding van de redelijke termijn in de nu voorliggende zaak toe moet leiden.
9. Eiseres is een rechtspersoon. De belangen van eiseres zijn uitsluitend financieel van aard. De bij eiseres betrokken personen kunnen in afwachting van uitsluitsel over de belastingaanslag spanning en stress ervaren, maar de rechtbank vindt dat een relatief gering belang dat bovendien onlosmakelijk verbonden is met het bedrijfsmatig beheren van vastgoed. Alles afwegend vindt de rechtbank een schadevergoeding van € 50,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden in deze zaken billijk.
10. In dit geval is de redelijke termijn met twee maanden overschreden. Dat leidt tot een aanspraak op schadevergoeding van € 50,-. De termijnoverschrijding is geheel te wijten aan de rechtbank, zodat de rechtbank de Staat in de schade zal veroordelen. Dat leidt ertoe dat de Staat € 50,- aan schadevergoeding aan eisers moet betalen.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
veroordeelt de Staat tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eisers tot een bedrag van € 50,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eversteijn, rechter, in aanwezigheid van
O. Asafiati, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 september 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
ABRvS 20 juli 2016, (ECLI:NL:RVS:2016:2031) en ABRvS 13 april 2016, (ECLI:NL:RVS:2016:980).
ECLI:NL:HR:2016:2723