Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-12-05
ECLI:NL:RBMNE:2023:7776
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
3,444 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/559810 / FO RK 23-862 (meerderjarigenadoptie)
Beschikking van 5 december 2023
in de zaak van:
[de pleegvader]
,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de pleegvader of de heer [de pleegvader] ,
advocaat mr. W.T.M.J. Krale,
en
[de pleegmoeder]
,
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder of mevrouw [de pleegmoeder] ,
advocaat mr. W.T.M.J. Krale,
met als belanghebbende
[belanghebbende]
,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: [belanghebbende] .
Procesverloop
1.1.
De rechtbank heeft op 3 juli 2023 het verzoekschrift met bijlagen ontvangen.
1.2.
De verzoeken zijn behandeld tijdens de mondelinge behandeling van 7 november 2023. Hierbij waren aanwezig:
[belanghebbende] ;
de heer [de pleegvader] en mevrouw [de pleegmoeder] met hun advocaat.
2De belangrijke feiten
2.1.
Het gaat in deze zaak om: [belanghebbende], geboren op [geboortedatum 1] 1999 in [geboorteplaats 1] .
2.2.
De moeder van [belanghebbende] is: [de moeder], geboren op [geboortedatum 2] 1966 in [geboorteplaats 2] . De moeder is overleden op [overlijdensdatum] 2022 in [plaats 1] .
2.3.
De vader van [belanghebbende] is onbekend. [belanghebbende] is niet erkend.
2.4.
De moeder van [belanghebbende] heeft nog vier andere kinderen.
2.5.
Bij beschikking van de rechtbank Breda van 4 oktober 2011 is de moeder van [belanghebbende] ‘ontheven van het gezag over [belanghebbende] ’ en is stichting Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam belast met de voogdij over [belanghebbende] .
2.6.
[belanghebbende] verblijft sinds dat zij zes jaar oud is bij de pleegouders. Eerst alleen in de weekenden en vanaf 17 juli 2009 volledig bij de pleegouders. [belanghebbende] was toen tien jaar oud.
2.7.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 22 januari 2014 zijn de pleegouders belast met de voogdij over [belanghebbende] .
2.8.
[belanghebbende] is op 1 januari 2019 op zich zelf gaan wonen bij Stichting [stichting] (begeleid wonen). Nu woont zij zelfstandig in een studio van ‘ [locatie] ’ in [plaats 2] en ontvangt zij ambulante zorg.
2.9.
De pleegouders zijn met elkaar gehuwd. Zij hebben samen twee kinderen:
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum 3] 2006 in [geboorteplaats 3] ;
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum 4] 2003 in [geboorteplaats 4] .
2.10.
De pleegouders en [belanghebbende] hebben de Nederlandse nationaliteit.
3De verzoeken
3.1.
De pleegouders verzoeken de rechtbank om de adoptie uit te spreken van [belanghebbende] door verzoekers en de geslachtsnaam van [belanghebbende] te wijzigen in ‘ [naam] ’.
Conclusie
4.1.
De rechtbank zal het verzoek tot adoptie toewijzen en de beslissing hierna toelichten.
Het wettelijk kader
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat adoptie een kinderbeschermingsmaatregel is. Het verzoek tot adoptie moet worden getoetst aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de artikelen 1:227 en 1:228 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Op grond van artikel 1:228 lid 1 sub a BW is een voorwaarde voor adoptie onder meer dat het kind op de dag van het eerste verzoek minderjarig is. Vaststaat dat [belanghebbende] ten tijde van de indiening van het verzoekschrift 24 jaar oud was en dus meerderjarig. Dit betekent dat niet is voldaan aan de gestelde voorwaarde van minderjarigheid en dat de adoptie van [belanghebbende] door de pleegouders op grond van nationale wetgeving niet mogelijk is.
4.3.
De pleegouders stellen dat het feit dat [belanghebbende] meerderjarig is niet in de weg staat aan adoptie. Zij verwijzen daarbij naar artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) waarin het recht op ‘family life’ is neergelegd. Volgens de pleegouders moet het minderjarigheidsvereiste op grond van het EVRM terzijde worden gesteld.
4.4.
Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) is het recht op adoptie niet één van de door het EVRM beschermde rechten. Dit betekent dat het feit dat een feitelijk gezinsverband niet wordt omgezet in een juridisch gezinsverband op zichzelf niet in strijd is met artikel 8 EVRM. Dat adoptie op grond van in de nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden niet mogelijk is, maakt dus niet dat er sprake is van een ongeoorloofde inbreuk op het recht op family life. Ook de Hoge Raad heeft beslist dat aan artikel 8 EVRM weliswaar het recht op bescherming van family life tussen de ouders en een door hen geadopteerd kind kan worden ontleend, maar niet het recht om een kind te adopteren zonder dat wordt voldaan aan de door de nationale wet voor adoptie gestelde eisen.
4.5.
Het weigeren van een adoptie kan onder zeer bijzondere omstandigheden zo’n inbreuk maken op het bestaande gezinsleven dat een terzijdestelling van het minderjarigheidsvereiste in artikel 1:228 lid 1 sub a BW gerechtvaardigd is. Het moet dan gaan om zeer uitzonderlijke gevallen waarin de weigering van de adoptie vanwege enkel de meerderjarigheid bij de indiening van het verzoek een ongeoorloofde inbreuk op het door artikel 8 EVRM beschermde gezins- en familieleven met zich mee zou brengen.
Beoordeling
4.6.
De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die maken dat het verzoek tot adoptie moet worden toegewezen, ondanks dat niet is voldaan aan het minderjarigheidsvereiste.
4.7.
Gebleken is dat [belanghebbende] door een heftig verleden kampt met ernstige hechtingsproblematiek, waardoor zij in haar gehele ontwikkeling wordt belemmerd. [belanghebbende] is op 3-jarige leeftijd voor de eerste maal uit huis geplaatst in een crisisgezin. Na een nieuwe poging binnen het eigen gezin, is de moeder van [belanghebbende] vervolgens naar een ‘Blijf van mijn lijf-huis’ gevlucht, waarna de kinderen van de moeder onder toezicht zijn gesteld en geplaatst in een instelling van het Leger des Heils. Daar heeft [belanghebbende] de pleegouders voor het eerst ontmoet. [belanghebbende] verblijft sinds dat zij zes jaar oud is bij de pleegouders. Eerst alleen in de weekenden en vanaf 17 juli 2009, toen ze 10 jaar oud was, volledig. Sindsdien maakt [belanghebbende] een goede ontwikkeling door, maar nog steeds heeft zij veel hulp en ondersteuning nodig.
Vanaf 2014 zijn de pleegouders ook belast met de voogdij over [belanghebbende] en vanaf haar achttiende jaar hebben de pleegouders verlengde pleegzorg toegewezen gekregen voor de ondersteuning van [belanghebbende] . In januari 2019 is [belanghebbende] op zichzelf gaan wonen bij Stichting [stichting] (begeleid wonen). Vanwege de hechtingsproblematiek heeft [belanghebbende] nog geen opleiding kunnen afronden. Tijdens de zitting heeft [belanghebbende] verklaard dat zij eerst een traject bij de psycholoog wil afronden en aan zichzelf moet werken, voordat zij aan een opleiding kan beginnen.
4.8.
De pleegvader heeft tijdens de zitting toegelicht dat [belanghebbende] tijdens haar puberteit zelfdestructief gedrag heeft ontwikkeld als gevolg van de hechtingsproblematiek en dat zij ook psychiatrisch onderzocht is bij de [organisatie] in Amsterdam. Het zelfdestructieve gedrag van [belanghebbende] is dusdanig ernstig dat zij hierin in haar dagelijks leven ernstig wordt belemmerd. De afgelopen jaren heeft [belanghebbende] drie zelfmoordpogingen gedaan en is zij meerdere keren gevlucht. Toen [belanghebbende] na een poging in het ziekenhuis werd opgenomen, mochten de pleegouders niet naar haar toe omdat zij geen verwanten zijn. Dit was erg pijnlijk voor [belanghebbende] en de pleegouders. Volgens de pleegvader heeft [belanghebbende] een veilig vangnet nodig. De pleegouders kunnen haar dit bieden. Zij hebben [belanghebbende] altijd volwaardig als één van hun eigen kinderen beschouwd en willen dat met de adoptie ook bevestigen. De pleegouders verwachten dat de adoptie zal bijdragen aan het verbeteren van de hechtingsproblematiek en ook zal bijdragen aan haar herstel.
4.9.
De pleegouders hebben verklaard dat zij hebben gewacht met het verzoek tot adoptie omdat de moeder van [belanghebbende] nog leefde en vanuit de loyaliteit van [belanghebbende] naar haar moeder toe dit niet eerder met haar durfden te bespreken. Pas na het recente overlijden van de moeder van [belanghebbende] hebben de pleegouders adoptie durven voorstellen. Zij waren erg blij met de positieve reactie van [belanghebbende] daarop. [belanghebbende] voelt veel connectie met de familie van de heer [de pleegvader] en mevrouw [de pleegmoeder] . Zij voelt zich een volwaardig onderdeel van hun gezin. Andere gezinsleden en familieleden van de pleegouders beschouwen [belanghebbende] ook als een volwaardig familielid. Op dit moment ervaart [belanghebbende] eenzaamheid, omdat zij een andere geslachtsnaam heeft dan die van de andere kinderen en ook een andere positie inneemt in het gezin. Zij wil daarom na de adoptie ook de geslachtsnaam ‘ [naam] ’ gaan dragen.
4.10.
De rechtbank overweegt dat nu de moeder van [belanghebbende] is overleden, zij de adoptie niet kan tegenspreken. [belanghebbende] heeft daardoor ook niet langer iets te verwachten van de moeder als ouder. Voor de rechtbank is onbekend wie de vader is van [belanghebbende] . [belanghebbende] heeft geen contact met hem of met zijn familie. Ook met de andere kinderen van de moeder (haar broers en zussen) heeft [belanghebbende] al lange tijd geen contact. Daardoor is er geen enkele binding meer met de biologische familie van [belanghebbende] .
4.11.
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het vasthouden aan het minderjarigheidsvereiste in deze zaak een ongeoorloofde inbreuk op artikel 8 EVRM zou opleveren. Dit betekent dat het bepaalde in artikel 1:228 lid 1 sub a BW terzijde wordt geschoven. De rechtbank stelt verder vast dat aan de overige voorwaarden zoals vermeld in artikel 1:228 lid 1 BW is voldaan.
Ingangsdatum
4.12.
De adoptie heeft gevolgen vanaf de dag van deze beschikking.
Geslachtsnaam
4.13.
[belanghebbende] krijgt door de adoptie de geslachtsnaam [naam], want de andere kinderen van verzoekers hebben ook die naam.
Dictum
De rechtbank:
5.1.
spreekt uit de adoptie van [belanghebbende], geboren op [geboortedatum 1] 1999 in [geboorteplaats 1] , door: [de pleegvader], geboren op [geboortedatum 5] 1974 in [geboorteplaats 4] en [de pleegmoeder], geboren op [geboortedatum 6] 1975 in [plaats 2] ;
5.2.
gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Spijkenisse een latere vermelding van de adoptie door verzoekers aan de daarvoor in aanmerking komende akte toe te voegen;
5.3.
stelt vast dat [belanghebbende] na de adoptie de geslachtsnaam ‘ [naam] ’ zal dragen, zodat zij zal heten: [belanghebbende].
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. A.C. van den Boogaard, rechter, in samenwerking met mr. H.E. Broersma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2023.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
HR 30 juni 2000, NJ 2001, 103, ECLI:NL:2000:AA6339.
Artikel 1:230 lid 1 BW
Artikel 1:5 lid 8 BW.