Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-11-30
ECLI:NL:RBMNE:2023:7551
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,804 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/933
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 november 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.G. van Westrenen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht
(gemachtigde: M.W.A. Notenboom).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser om een woonurgentie op medische gronden.
1.1.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 2 november 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 januari 2023 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eiser heeft op 10 oktober 2023 nadere stukken overgelegd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 20 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Parsi als tolk en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de vraag of het college de aanvraag om woonurgentie heeft mogen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank is van oordeel dat het college de aanvraag om urgentie op goede gronden heeft afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De totstandkoming van het besluit
4. Eiser heeft het college verzocht om hem op medische gronden een urgentieverklaring te verlenen. De reden daarvoor is dat hij lijdt aan ernstige psychische trauma's en aan ernstige migraine. Hij is in behandeling voor zijn klachten en volgt een intensieve traumabehandeling bij [instelling] . Eiser heeft stukken van zijn behandelaar en huisarts overgelegd. Zij brengen daarin naar voren dat eiser in Hilversum een beperkt sociaal netwerk heeft en dat zijn contacten zich vooral in Utrecht bevinden. Volgens de behandelaars kan sociale steun van mensen die eiser bij kunnen staan, voor een enorme ziektewinst zorgen en kan ondersteuning van dat sociale netwerk tot een gunstig effect in de behandeling leiden. Het is daarom volgens hen van belang dat hij naar Utrecht verhuist.
5. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser niet voldoet aan de algemene voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor een urgentie, opgenomen in artikel 2.5.1, tweede lid, onderdelen a, b en e, van de Huisvestingsverordening Regio Utrecht 2019, gemeente Utrecht. Voor toepassing van de hardheidsclausule is volgens het college geen aanleiding. Die hardheidsclausule wordt alleen toegepast in zeer incidentele noodsituaties, waarbij gedacht moet worden aan levensbedreigende of daarmee vergelijkbare situaties. Het college merkt op dat de medische situatie van eiser niet samenhangt met zijn woonsituatie. Ook overweegt het college dat de afstand tussen Hilversum en Utrecht niet zo groot is dat dit niet door het sociaal netwerk van eiser in Utrecht overbrugd zou kunnen worden. Onder de gegeven omstandigheden is volgens het college van een levensbedreigende, of daarmee vergelijkbare situatie, geen sprake.
Had het college de hardheidsclausule moeten toepassen en toch een urgentie moeten verlenen?
6. Eiser stelt dat het college de hardheidsclausule, opgenomen in artikel 4.3 van de Huisvestingsverordening, had moeten toepassen. Daarbij wijst eiser op zijn voorgeschiedenis en de uitgebreide multidisciplinaire medische onderbouwing die hij bij zijn verzoek om urgentie en met zijn brief van 10 oktober 2023 heeft overgelegd. Ook op de zitting heeft eiser stukken overgelegd. Volgens eiser had het college zijn medische situatie nader moeten onderzoeken. Over zijn sociale contacten heeft eiser op de zitting verklaard dat hij telefonisch contact heeft met zijn vrienden en dat zij bij hem op bezoek komen. Reizen met het openbaar vervoer naar Utrecht is moeilijk voor hem door zijn psychische klachten.
7. De rechtbank overweegt als volgt.
8. Op grond van artikel 4.3 van de Huisvestingsverordening Regio Utrecht 2019, gemeente Utrecht – zoals deze ten tijde van het bestreden besluit gold – kan het college afwijken van de verordening in gevallen waarin de toepassing van de verordening naar zijn oordeel tot een bijzondere hardheid leidt.
9. De rechtbank overweegt dat het college in de situatie van eiser geen aanleiding heeft hoeven zien voor toepassing van de hardheidsclausule. Het college ontkent niet dat eiser lijdt aan ernstige psychische klachten, maar stelt terecht dat deze niet het gevolg zijn van de woonsituatie van eiser. Eiser wil weg uit Hilversum en naar Utrecht verhuizen omdat hij dan meer baat heeft bij ondersteuning van zijn sociale netwerk. Ook het belang van deze ondersteuning, ontkent het college niet. Voor het college bestond er dan ook redelijkerwijs geen aanleiding om de medische situatie van eiser nader te onderzoeken.
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van deze ondersteuning, geen bijzondere omstandigheid is van levensbedreigende, of daarmee vergelijkbare aard. Eiser stelt dat er sprake is van een dergelijke situatie, maar de medische stukken onderbouwen dat niet. Het belang van ondersteuning door zijn vrienden betekent niet dat het wonen in Hilversum tot een noodsituatie leidt. Het is ook niet gebleken dat verhuizing naar Utrecht noodzakelijk is voor zijn behandeling omdat de behandeling van eiser door [instelling] plaatsvindt in Diemen.
11. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen urgentie krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.E. Pruntel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 november 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.