Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-12-20
ECLI:NL:RBMNE:2023:7451
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,283 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/3610
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 december 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
Het dagelijks bestuur van de RDWI, Regionale Sociale Dienst, de RDWI, verweerder
(gemachtigde: L. Wijma).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de terugvordering van een bedrag van €79.126,99 aan ontvangen bijstand.
2. Verweerder (de RDWI) heeft met zijn besluit van 14 november 2022 (het primaire besluit) besloten dit bedrag terug te vorderen wegens onverschuldigde betaling van bijstand over de periode tussen 16 februari 2016 en 31 juli 2022.
3. Met het bestreden besluit van 13 juni 2023 op het bezwaar van eiser is de RDWI bij dat besluit gebleven.
4. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De RDWI heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft op 27 oktober 2023 nadere gronden ingediend.
5. De rechtbank heeft het beroep op 9 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de RDWI.
Totstandkoming van het besluit
6. Op 22 mei 2022 heeft eiser bij de RDWI gemeld dat zijn vader op [overlijdingsdatum 1] 2022 was overleden. Tijdens het onderzoek naar aanleiding van deze melding heeft de RDWI opgemerkt dat eisers moeder op [overlijdingsdatum 2] 2003 was overleden. Op basis daarvan heeft de RDWI vastgesteld dat eisers moeder is overleden vóór de ingangsdatum van eisers bijstandsuitkering op 16 februari 2016.
7. Eiser was erfgenaam van zijn moeder. Na het overlijden van eisers moeder, verkreeg eisers vader alle tot haar nalatenschap behorende goederen en kreeg eiser een (niet-opeisbare) vordering op zijn vader overeenkomstig de waarde van eisers erfdeel.
8. Bij het aanvragen van de bijstandsuitkering heeft eiser niet aangegeven dat hij een (niet-opeisbare) vordering had op zijn vader of dat hij erfgenaam was van zijn moeder. Hij heeft hierover niets opgemerkt op het aanvraagformulier voor de bijstandsuitkering, waarin expliciet gevraagd wordt naar bezittingen en schulden.
9. Op 31 juli 2022 is de vordering op eisers vader te gelde gemaakt. Eiser heeft op dat moment € 148.168,- ontvangen.
10. Naar aanleiding van de ontvangen erfenis heeft de RDWI eisers bijstandsuitkering herberekend en is de RDWI tot de conclusie gekomen dat eiser geen recht heeft gehad op bijstand over de periode tussen 16 februari 2016 tot en met 31 juli 2022. Daarom heeft de RDWI de bijstandsuitkering teruggevorderd over deze periode. Dit heeft de RDWI gedaan op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Participatiewet (Pw).
Beoordeling
11. Het gaat in deze procedure om de vraag of de RDWI terecht een bedrag van € 79.126,99 van eiser heeft teruggevorderd omdat eiser uit de erfenis van zijn moeder, die voor de ingangsdatum van eisers bijstand is overleden, een niet-opeisbare vordering op zijn vader heeft gekregen. De rechtbank beoordeelt deze vraag aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
12. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. De RDWI heeft het bedrag aan onverschuldigd betaalde bijstand mogen terugvorderen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Was een afzonderlijk intrekkings- of herzieningsbesluit vereist?
13. Eiser heeft aangevoerd dat de RDWI de bijstand niet heeft mogen terugvorderen omdat de RDWI voorafgaand aan de terugvordering geen herzienings- of intrekkingsbesluit heeft genomen. Eiser heeft zijn argument gebaseerd op de Beleidsregel Herziening, intrekking en terugvordering Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (RDWI) 2016 (de Beleidsregel). In de Toelichting op artikel 4 van de Beleidsregel, onder a, heeft eiser gelezen: ‘voorafgaande aan de terugvordering dient eerst een herzienings- of intrekkingsbesluit te worden genomen.’
14. De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de hoogste rechter in dit soort zaken, de Centrale Raad van Beroep (CRvB), blijkt dat artikel 58, tweede lid, onder f, van de Pw een zelfstandige terugvorderingsgrond is in die zin dat geen voorafgaand herzienings- of intrekkingsbesluit nodig is.
15. De Toelichting op de Beleidsregel, althans een redelijke lezing ervan, maakt dat niet anders. De rechtbank overweegt dat de bepaling waar eiser een beroep op heeft gedaan betrekking heeft op een bepaling uit de Pw, en niet op artikel 4 van de Beleidsregel. Dit maakt de rechtbank op uit het feit dat artikel 4 van de Beleidsregel direct verwijst naar artikel 58, tweede lid, van de Pw. Ook ziet de rechtbank dat de bepaling in de Toelichting, zowel qua aanduiding (aangeduid met ‘a’) als inhoud, logischerwijs relateert aan onderdeel a van artikel 58, tweede lid, van de Pw. De rechtbank constateert ook eenzelfde logische relatie tussen de andere onderdelen van de Toelichting op artikel 4 van de Beleidsregel en de overige onderdelen van artikel 58, tweede lid, van de Pw.
16. Kortom: de subonderdelen van de Toelichting op artikel 4 van de Beleidsregel komen overeen met de subonderdelen van artikel 58, tweede lid, van de Pw. In eisers zaak is de terugvordering gebaseerd op artikel 58, tweede lid, onder f, ten eerste, van de Pw. Hierop is subonderdeel a van de Toelichting op artikel 4 van de Beleidsregel niet van toepassing. Daarom was hier geen noodzaak voor een voorafgaand herzienings- of intrekkingsbesluit.
Is de bijstand onverschuldigd betaald?
17. Eiser heeft aangevoerd dat artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Pw geen rechtsgrond biedt voor de terugvordering van zijn bijstand. Deze bepaling is alleen van toepassing op middelen zoals omschreven in paragraaf 3.4 van de Pw. Eiser heeft gesteld dat de (niet-opeisbare) vordering op zijn vader niet onder het middelenbegrip valt zoals omschreven in deze paragraaf omdat het bedrag van € 148.168,- niet ontvangen is in de periode waarin eiser bijstand heeft ontvangen. In de periode waarin eiser bijstand heeft ontvangen, had eiser namelijk feitelijk geen beschikking over dit bedrag.
18. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Pw kon de RDWI de kosten van bijstand terugvorderen, voor zover eiser in de periode waarover bijstand is verleend recht had op middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 van de Pw, die later ook daadwerkelijk tot zijn beschikking zijn gekomen of hadden kunnen komen. Ook al kon eiser tijdens de periode waarover bijstand is verleend feitelijk nog niet beschikken over deze middelen, biedt deze bepaling van de Pw een terugvorderingsgrond zodra eiser wel over de middelen kon beschikken.
19. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB ontstaat het recht op een erfdeel – voor de toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Pw – op het tijdstip van overlijden van de erflater. Indien de datum van het recht op het erfdeel ligt voor de aanvang van de bijstandsverlening, is de situatie bij aanvang van de bijstandsverlening beslissend. In geval van eiser betekent dit dat het recht op zijn erfdeel is ontstaan op 4 november 2003. Toen de bijstandsverlening is aangevangen, op 16 februari 2016, had eiser ook nog recht hierop. Daarom kon de RDWI op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de Pw tot terugvordering overgaan over de periode vanaf de aanvang van de bijstandsverlening. Dat eiser zijn erfdeel niet in geld op zijn rekening heeft ontvangen in de periode waarin eiser bijstand heeft ontvangen, maakt dit niet anders.
Is de Beleidsregel correct toegepast?
20. Eiser heeft aangevoerd dat de Beleidsregel op meerdere punten onjuist is toegepast. Ten eerste omdat dat artikel 4, tweede lid, van de Beleidsregel maakt dat de RDWI alleen over een periode van maximaal twee jaar voor de datum van verzending van het besluit tot terugvordering kan overgaan. Verder omdat de Toelichting op artikel 4 van de Beleidsregel, onder b, maakt dat een terugbetalingsverplichting verbonden had moeten worden aan de bijstand, nu de bijstand evident een lening is gebleken die eiser terug moet betalen. Tot slot omdat de Toelichting op artikel 4 van de Beleidsregel, onder e, maakt dat de bijstand alleen teruggevorderd kon worden als eiser redelijkerwijs kon begrijpen dat de bijstand hem niet toekwam. Omdat eiser dit redelijkerwijs niet kon begrijpen, vond eiser dat de RDWI niet tot terugvordering mocht overgaan.
21. De rechtbank oordeelt dat alle onderdelen waar eiser een beroep op heeft gedaan niet zien op zijn situatie. Dit omdat de RDWI heeft teruggevorderd (en heeft mogen terugvorderen) op basis van artikel 58, tweede lid, onder f, ten eerste, van de Pw. De bepalingen waar eiser een beroep op heeft gedaan zien niet op deze terugvorderingsgrond. In artikel 4, tweede lid, van de Beleidsregel staat expliciet dat het ziet op terugvorderingen als bedoeld in artikel 58, tweede lid, onder e, van de Pw. Voor wat betreft de toepasbaarheid van onderdeel b en e van de Toelichting op artikel 4 van de Beleidsregel, verwijst de rechtbank kortheidshalve naar overwegingen 15 en 16 hierboven.
Heeft de RDWI niet mogen terugvorderen omdat de RDWI eiser niet had geïnformeerd dat hij de erfenis moest melden en eiser dit niet wist?
22. Eiser heeft aangevoerd dat de RDWI hem bij aanvang van zijn bijstandsuitkering ten onrechte niet heeft geïnformeerd dat de bijstand zou worden teruggevorderd op het moment dat eisers erfdeel opeisbaar werd. Hij had dit ook niet kunnen weten. Als hij dit wel had geweten, had hij andere keuzes gemaakt.
23. Voorop staat dat eiser bij zijn bijstandsaanvraag niet heeft gemeld dat hij een (niet-opeisbare) vordering had op zijn vader. Voor de RDWI was het daarom onmogelijk om eiser over de gevolgen daarvan voor te lichten. Ook als de RDWI op de hoogte was geweest van het feit dat eisers moeder was overleden en dat eiser een (niet-opeisbare) vordering had op zijn vader, was de RDWI niet verplicht om eiser op dat moment te informeren over de mogelijke gevolgen hiervan voor de bijstand omdat eiser op dat moment nog niet kon beschikken over zijn erfdeel. Voor een dergelijke verplichting zijn geen aanknopingspunten in de wettelijke bepalingen te vinden. De RDWI heeft dan ook niet onzorgvuldig gehandeld door eiser daarover niet vóór het verlenen van de bijstand te informeren.
Heeft eiser de RDWI in gebreke gesteld?
24. Eiser heeft aangevoerd aan dat de RDWI te laat heeft besloten op zijn bezwaarschrift en dat eiser de RDWI telefonisch in gebreke heeft gesteld.
Conclusie
29. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de terugvordering stand houdt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Henderson, rechter, in aanwezigheid van L. Beijerinck, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2023.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 15 februari 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:323).
Namelijk onderdeel a van artikel 58, tweede lid, van de Pw.
Zie een uitspraak van de CRvB van 5 maart 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:856) en van Rechtbank Noord-Nederland van 20 juni 2022 (ECLI:NL:RBNNE:2022:2089).
Zie een uitspraak van de CRvB van 26 juni 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:548).
Zie een uitspraak van de CRvB van 23 oktober 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3341).
Zie de uitspraak van de CRvB van 25 oktober 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:2360).