Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-10-27
ECLI:NL:RBMNE:2023:6320
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,293 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/2001
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. S.N. Ali),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere
(gemachtigde: mr. J.D. de Feijter).
Inleiding
Eiseres ontvangt vanaf 13 oktober 2019 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande. Eiseres staat ingeschreven op het adres [adres 1] in [woonplaats] (het uitkeringsadres) met haar drie kinderen. De kinderen zijn geboren in 2012, 2014 en 2020. [de man] ( [de man] ) is de vader van alle drie de kinderen en heeft deze erkend. Van 17 februari 2015 tot 11 juli 2019 stond [de man] ook ingeschreven op het uitkeringsadres. Daarna stond [de man] ingeschreven in de gemeente [gemeente] . De gemeente [gemeente] heeft [de man] op 30 april 2020 ingeschreven in de Registratie Niet-Ingezetenen.
Op 29 april 2020 en 20 mei 2020 heeft het college een anonieme melding ontvangen dat eiseres en [de man] (weer) op het uitkeringsadres samenwonen. Naar aanleiding van deze meldingen is de sociale recherche een onderzoek gestart naar de woonsituatie van eiseres. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in de rapportage van 14 maart 2022.
De onderzoeksbevindingen zijn voor het college reden geweest om met het primaire besluit van 17 maart 2022 (het intrekkingsbesluit) de bijstandsuitkering van eiseres over de periode van 13 oktober 2019 tot en met 28 februari 2022 in te trekken. Met het primaire besluit van 21 maart 2022 (het terugvorderingsbesluit) heeft het college de te veel betaalde bijstand tot een bedrag van € 34.539,96 teruggevorderd.
Eiseres heeft tegen het intrekkings- en terugvorderingsbesluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 1 maart 2023 heeft het college het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Het college trekt de bijstandsuitkering van eiseres nu met ingang van 5 maart 2020 in. Uit het onderzoek door de sociale recherche volgt dat eiseres en [de man] vanaf dit moment een gezamenlijke huishouding voerden zonder het te melden bij het college. Eiseres heeft daarom volgens het college de inlichtingenplicht geschonden. Het college vordert de te veel betaalde bijstand over de periode van 5 maart 2020 tot en met 28 februari 2022 terug. Dit is een bedrag van € 30.450,22. Er zijn volgens het college geen redenen om van terugvordering af te zien.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
6. De rechtbank heeft het beroep op 14 september 2023 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
Overwegingen
Mocht verweerder het bestreden besluit (mede) baseren op het huisbezoek en de verklaringen van eiseres?
7. Eiseres voert aan de het college het huisbezoek niet aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen. Het huisbezoek is niet volgens het juiste wettelijk kader uitgevoerd, omdat eiseres hierbij werd bedreigd met beëindiging van haar uitkering. Ook betwist eiseres de juistheid van de weergave van haar verklaringen in het gehoor bij de sociale recherche op 7 maart 2022. Zij stelt dat zij nooit heeft verklaard dat [de man] iedere dag bij haar is, daar doucht en dat zij iedere dag samen eten. Eiseres vindt dat het college niet van de verklaringen zoals neergelegd in het schriftelijk verslag van het gehoor mag uitgaan, omdat zij dit niet heeft ondertekend.
8. De rechtbank oordeelt dat het college zowel het huisbezoek als het verslag van het gehoor van eiseres op 7 maart 2022 mede aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Er was een redelijke grond om het huisbezoek te verrichten. Ook is eiseres voorafgaand aan het huisbezoek uitgelegd waartoe het huisbezoek dient en dat niet meewerken gevolgen kan hebben voor haar bijstandsuitkering. Hiermee is sprake van ‘informed consent’. Dat de handhavings-medewerkers hebben aangegeven dat niet meewerken aan het huisbezoek gevolgen kan hebben voor de uitkering maakt niet dat dit onder ongeoorloofde druk is uitgevoerd. De rechtbank ziet - anders dan eiseres aanvoert - niet dat het huisbezoek op een onrechtmatige wijze is uitgevoerd. De rechtbank oordeelt verder dat omstandigheid dat eiseres het verslag van de verklaring niet heeft ondertekend niet maakt dat het college niet van haar verklaringen mocht uitgaan. Daarbij is van betekenis dat uit het verslag blijkt dat eiseres tegenover de handhavingsmedewerkers concreet en gedetailleerd heeft verklaard over haar feitelijke woon- en leefsituatie. Eiseres heeft daartegenover enkel gesteld dat de weergave van haar verklaringen onjuist is, maar de juistheid van de inhoud van het verslag wel op onderdelen bevestigd en niet onderbouwd waarom de weergave voor het overige onjuist zou zijn. Het verslag is daarbij wel door de handhavingsmedewerkers ondertekend. Eiseres heeft er zelf voor gekozen om de verklaringen niet door te lezen en corrigeren.
De beroepsgrond slaagt niet.
Voerden eiseres en [de man] een gezamenlijke huishouding?
9. De te beoordelen periode loopt van 5 maart 2020 tot en met 28 februari 2022.
10. Een besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Het is dan aan het bijstandverlenend orgaan om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Het college moet daarom aannemelijk maken dat eiseres en [de man] in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerden.
11. Omdat uit de relatie van eiseres en [de man] kinderen zijn geboren, is voor de beantwoording van de vraag of sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of eiseres en [de man] in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Het hoofdverblijf van iemand is daar waar het zwaartepunt van zijn persoonlijk leven is. Dit moet bepaald worden aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De aard van de relatie tussen eiseres en [de man] en hun subjectieve beleving daarvan blijven voor de toepassing van de Participatiewet buiten beschouwing. Als aannemelijk is dat [de man] en eiseres op hetzelfde adres hun hoofdverblijf hebben, maakt het niet uit dat zij ingeschreven staan op verschillende adressen.
12. Eiseres betwist dat zij de inlichtingenplicht heeft geschonden en stelt dat zij in de te beoordelen periode geen gezamenlijke huishouding voerde met [de man] . Eiseres heeft geen relatie met [de man] . Al hun contact gaat over en is voor de kinderen. [de man] is wel veel bij eiseres, omdat één van hun kinderen veel gezondheidsproblemen heeft. Het college heeft bij het nemen van het bestreden besluit onvoldoende rekening gehouden met de medische situatie van dit kind. Hoewel [de man] soms bij eiseres overnacht, woont hij feitelijk in zijn eigen woning. Eiseres vindt het onderzoek door het college onzorgvuldig, omdat enkel onderzoek is verricht naar het uitkeringsadres en niet naar de woning van [de man] . Eiseres weet niet waar [de man] woont als hij niet bij haar is. Eiseres stelt verder dat het college het standpunt dat eiseres en [de man] een gezamenlijke huishouding voeren niet mocht baseren op het huisbezoek. Dit is slechts een momentopname en hierbij zijn weinig spullen van [de man] in de woning gevonden. Uit het verhoogde waterverbruik volgt niet dat eiseres en [de man] in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerden. Dit is te verklaren door de geboorte van een derde kind in 2020 en het grote zwembad dat eiseres twee keer per jaar vult. De getuigenverklaringen van de buren zijn volgens eiseres onbetrouwbaar. Eiseres stelt verder dat het onvoldoende duidelijk waarop het college baseert dat zij en [de man] vanaf ingangsdatum 5 maart 2020 een gezamenlijke huishouding voeren.
12. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank oordeelt dat de onderzoeksbevindingen in onderlinge samenhang bezien voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat [de man] vanaf 5 maart 2020 zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.
14. Hierbij is naar het oordeel van de rechtbank van belang dat eiseres op 7 maart 2022 zelf heeft verklaard dat [de man] iedere dag op het uitkeringsadres is, dat zij alles samendoen, dat [de man] na zijn werk naar eiseres komt en dan bij haar eet en slaapt en dat zij samen op vakantie gaan. Het beeld dat eiseres schetst in haar verklaringen wordt bevestigd door de getuigenverklaringen van de buren. De gehoorde bewoner van [adres 2] verklaart dat op het uitkeringsadres een gezin woont dat bestaat uit een man, vrouw en drie kinderen. Ook de bewoner van [adres 3] verklaart dat op het uitkeringsadres een gezin woont dat bestaat uit een vader, moeder en drie kinderen. Deze buurvrouw geeft aan dat [de man] een periode weg is geweest, maar vanaf 2020 weer op het uitkeringsadres woont. De getuigenverklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende concreet en specifiek en het college mocht deze mede aan het bestreden besluit ten grondslag leggen.
14. Ook andere onderzoeksbevindingen bieden steun voor het standpunt dat [de man] in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. In de anonieme melding is genoemd dat [de man] vanaf maart 2020 weer op het uitkeringsadres woont. Ook mocht het college het van belang vinden dat eind 2020 het derde kind van eiseres en [de man] is geboren. Een verdere indicatie dat [de man] zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres is dat hij bij zijn werkgever het uitkeringsadres had opgegeven als postadres en dat dit adres volgens de mail van 28 juni 2022 van de werkgever sinds 1 mei 2018 het enige bij de werkgever bekende adres is. Daarnaast volgt uit de waarnemingen dat [de man] in de periode van 24 januari 2022 tot en met 2 maart 2022 veel bij eiseres was. Verder bleek bij het huisbezoek dat [de man] op het uitkeringsadres had geslapen en zijn er spullen van hem aangetroffen. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat niet is gebleken dat [de man] in de te beoordelen periode ergens anders verbleef. De rechtbank acht het onaannemelijk dat eiseres, terwijl zij samen de dagelijkse zorg boden aan de kinderen, niet op de hoogte zou zijn van een eventuele andere vaste verblijfplaats van [de man] . Het is dan ook niet onzorgvuldig dat het college geen onderzoek op een ander adres heeft uitgevoerd.
14. Dat eiseres stelt dat zij en [de man] geen relatie hebben en dat hun contact vooral in het belang van de kinderen plaatsvindt, is onvoldoende voor een andere conclusie.
Conclusie
22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de bijstandsuitkering van eiseres met ingang van 5 maart 2020 mocht intrekken en de teveel betaalde bijstand mocht terugvorderen. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. R.G.A. Beijen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie paragraaf 3.4 van de rapportage van 14 maart 2022.
Vergelijk ECLI:NL:CRVB:2022:1122 en zie ook het ondertekende toestemmingsformulier voor het huisbezoek.
ECLI:NL:CRVB:2019:2944 en ECLI:NL:CRVB:2018:811.
Op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Participatiewet.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2019:400.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 februari 2022 ECLI:NL:CRVB:2022:292 rechtsoverweging 4.5, en van 3 december 2019 ECLI:NL:CRVB:2019:3946 rechtsoverweging 4.6.