Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-09-15
ECLI:NL:RBMNE:2023:6046
Civiel recht
Kort geding
3,596 tokens
Inleiding
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zaaknummer: C/16/561467 / KL ZA 23-241 PM/45352
Vonnis in kort geding van 15 september 2023
in de zaak van
1 [eiser sub 1] ,
2. [eiseres sub 2],
beiden wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [eiser sub 1] c.s.,
advocaat: mr. C.P.R. Vrakking te Blaricum,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. T.L. de Leeuwe te Amsterdam.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 augustus 2023 met 18 producties,
- de conclusie van antwoord en eis in reconventie met 44 producties,
- de nadere productie 19 van [eiser sub 1] c.s.,
- de nadere producties 45 tot en met 48 van [gedaagde] , - de mondelinge behandeling van 1 september 2023, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt, - de pleitnota van [eiser sub 1] c.s., - de pleitnota van [gedaagde] .
1.2.
Er is bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.
Geschil
Waar gaat de zaak over?
2.1.
Partijen hebben een aannemingsovereenkomst gesloten over de bouw van een nieuwbouwwoning voor [eiser sub 1] c.s. door [gedaagde] . De bouw ligt op dit moment stil, omdat partijen het erover oneens zijn voor wiens rekening de kostenoverschrijding ten opzichte van de overeengekomen richtprijs moet komen. Partijen hebben in overleg een lijst opgesteld van het werk dat nog gedaan moet worden voordat kan worden opgeleverd (productie 3 bij dagvaarding en productie 9 bij het antwoord van [gedaagde] ). Daarbij is duidelijk geworden dat de bouw fors meer gaat kosten dan op voorhand is begroot.
Wat vorderen [eiser sub 1] c.s. en waarom?
2.2.
[eiser sub 1] c.s. hebben de stand van de bouw laten onderzoeken door een deskundige, [onderneming] B.V. (hierna: [onderneming] ). De bevindingen zijn neergelegd in het expertiserapport. Op grond van het rapport stellen [eiser sub 1] c.s. dat nog geen 60% van het werk af is, terwijl zij nagenoeg de hele aanneemsom hebben betaald. [eiser sub 1] c.s. vinden het dan ook onterecht dat [gedaagde] het werk heeft stilgelegd en willen dat de ontstane impasse wordt doorbroken.
2.3.
Daarom vorderen [eiser sub 1] c.s. in deze procedure – samengevat – een veroordeling van [gedaagde] om de bouw binnen één week na betekening van het vonnis te hervatten. Verder vorderen zij dat [gedaagde] de werkzaamheden moet uitvoeren en afmaken zoals overeengekomen op de lijst en de woning vóór 1 februari 2024 aan [eiser sub 1] c.s. oplevert. Op de zitting hebben [eiser sub 1] c.s. verklaard dat zij van de lijst alleen nog die werkzaamheden uitgevoerd willen zien die onderdeel uitmaken van de oorspronkelijke opdracht en dus niet als meerwerk zijn aan te merken. [eiser sub 1] c.s. vorderen ook betaling van € 9.800,- als vergoeding van de kosten voor het opstellen van het expertiserapport, een dwangsom voor het geval dat [gedaagde] nalaat de werkzaamheden voort te zetten of de woning niet op tijd oplevert en een veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
Wat vindt [gedaagde] ?
2.4.
[gedaagde] voert verweer tegen de vordering van [eiser sub 1] c.s. en heeft een tegenvordering (ook wel: vordering in reconventie) ingesteld. [gedaagde] wil het werk pas hervatten als [eiser sub 1] c.s. erkennen dat sprake is van meerwerk. [gedaagde] vordert (in reconventie) – samengevat – dat [eiser sub 1] c.s. de werkzaamheden onder nummer 38 tot en met 92 van het antwoord van [gedaagde] binnen zeven dagen na het vonnis als meerwerk opdragen. Daarnaast wil [gedaagde] dat [eiser sub 1] c.s. zekerheid stellen voor ongeveer € 1.000.000,- door een in te roepen bankgarantie af te geven, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
Beoordeling
Wat oordeelt de voorzieningenrechter?
3.1.
[gedaagde] moet de bouwwerkwerkzaamheden binnen één week na betekening van het vonnis hervatten. [gedaagde] moet de werkzaamheden op de lijst in productie 3 afmaken, met uitzondering van de werkzaamheden die zijn gemarkeerd als meerwerk. De woning moet voor 1 maart 2024 aan [eiser sub 1] c.s. worden opgeleverd. Aan het hervatten van de werkzaamheden en de tijdige oplevering wordt een dwangsom verbonden. [gedaagde] hoeft de kosten voor het expertiserapport van € 9.800,- niet aan [eiser sub 1] c.s. te betalen.
3.2.
Daartegenover staat dat [eiser sub 1] c.s. zekerheid moeten stellen ter waarde van € 238.500,- in de vorm van een bankgarantie.
3.3.
Hieronder worden de beslissingen toegelicht.
Is er een spoedeisend belang?
3.4.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De rechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser sub 1] c.s. ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang hebben. Vaststaat dat de kelderverdieping eerder is ondergelopen. Omdat de bouw is gestaakt en er kans is op nieuwe overstromingen in de kelder, hebben [eiser sub 1] c.s. een spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voor het hervatten van de werkzaamheden.
3.5.
Voor de vordering tot betaling van € 9.800,- voor het expertiserapport door [onderneming] ontbreekt een spoedeisend belang. Bij een vordering tot betaling van een geldsom in kort geding, zal de voorzieningenrechter niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Omdat [eiser sub 1] c.s. geen spoedeisend belang voor vergoeding van de kosten voor het opstellen van het expertiserapport hebben aangevoerd en in onvoldoende mate vaststaat dat deze kosten voor rekening van [gedaagde] komen, is de vordering niet toewijsbaar.
Waarom en wanneer moet [gedaagde] het werk hervatten?
3.6.
De voorzieningenrechter moet in kort geding beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
3.7.
Partijen hebben op 30 september 2021 een aannemingsovereenkomst gesloten (hierna: de overeenkomst). In de overeenkomst is een gecalculeerde richtprijs opgenomen van € 2.747.999,16. [eiser sub 1] c.s. hebben in totaal € 2.538.198,25 betaald. Partijen zijn het erover eens dat het overeengekomen werk nog niet af is. Op 17 juli 2023 is een lijst opgesteld van de werkzaamheden die nog gedaan moeten worden om de woning af te bouwen (productie 3 bij dagvaarding). Daarbij is duidelijk geworden dat de bouw fors meer gaat kosten dan in eerste instantie is begroot.
3.8.
[gedaagde] is op basis van de overeenkomst verplicht de woning (af) te bouwen. Omdat partijen het erover eens zijn dat het overeengekomen werk nog niet af is, zal [gedaagde] worden gelast de werkzaamheden binnen één week te hervatten. De voorwaarden die [gedaagde] stelt aan hervatting van het werk, worden hierna besproken.
3.9.
De voorzieningenrechter acht het nodig om aanvullend voorzieningen te treffen, zodat er geen discussie meer kan bestaan over de verantwoordelijkheid voor de bouwplaats. [gedaagde] moet zo snel mogelijk maar uiterlijk binnen één week na betekening van dit vonnis zorgen dat (i) de bouwplaats wordt beveiligd zoals voor het stilleggen van de bouw gebruikelijk was en (ii) maatregelen worden genomen om verdere lekkages in of overstromingen van de kelderverdieping te verhelpen en te voorkomen. Dit laatste betekent dat voorzieningen moeten worden getroffen om het water in de kelder deugdelijk af te voeren, bijvoorbeeld door aansluiting op het riool, door een goed functionerende noodpomp of door de installatie van een permanent pompsysteem waarin in de initiële opdracht is voorzien.
3.10.
De voorzieningenrechter geeft partijen in overweging om de staat van de bouw op te nemen bij aanvang van het hervatten van het werk, gelet op eventuele schade aan de woning.
3.11.
Als [gedaagde] het werk niet binnen één week na betekening van dit vonnis heeft hervat op de manier zoals in overweging 3.8 is beschreven, verbeurt zij een dwangsom van € 500,- per dag dat zij nalaat de werkzaamheden te hervatten, met een maximum van € 25.000,-.
Welke werkzaamheden moet [gedaagde] afmaken?
3.12.
[eiser sub 1] c.s. verwijzen in de vordering naar de lijst met werkzaamheden die op 17 juli 2023 is opgesteld (productie 3 bij dagvaarding). Op de zitting hebben [eiser sub 1] c.s. verklaard dat zij alleen de werkzaamheden uitgevoerd willen zien die onderdeel uitmaken van de oorspronkelijke opdracht. [gedaagde] heeft hiermee ingestemd. Dat betekent dat de werkzaamheden met een kruisje in de kolommen “meerwerk” en “opgevoerd als meerwerk” (zoals zichtbaar in productie 9 bij antwoord van [gedaagde] ) niet door [gedaagde] hoeven te worden uitgevoerd en dat alleen de werkzaamheden in de kolom “In oorspronkelijke opdracht” door [gedaagde] moeten worden verricht.
3.13.
Omdat [eiser sub 1] c.s. niet langer uitvoering van de meerwerkposten op de lijst in productie 3 bij dagvaarding wensen, is de vordering van [gedaagde] om die resterende werkzaamheden als meerwerk op te dragen niet toewijsbaar.
Wanneer moet worden opgeleverd?
3.14.
[eiser sub 1] c.s. vorderen oplevering uiterlijk op 1 februari 2024 en [gedaagde] verwacht dat zij het werk uiterlijk op 1 april 2024 zal kunnen voltooien. Omdat niet langer alle op de lijst vermelde werkzaamheden hoeven worden uitgevoerd maar alleen die werkzaamheden die in de initiële opdracht zitten, vindt de voorzieningenrechter 1 maart 2024 redelijk. [gedaagde] moet de woning uiterlijk op 1 maart 2024 aan [eiser sub 1] c.s. opleveren.
3.15.
Voor iedere dag of deel daarvan dat de woning vanaf 1 maart 2024 niet of niet volledig is opgeleverd, verbeurt [gedaagde] een dwangsom van € 1.500,- per dag met een maximum van € 150.000,-.
Waarom moet [eiser sub 1] c.s. zekerheid stellen?
3.16.
[gedaagde] voert aan dat het verkrijgen van zekerheid inmiddels cruciaal is voor het hervatten van het werk. Volgens [gedaagde] is de totale waarde van het uit te voeren werk ongeveer € 3.600.000,- (bestaande uit ongeveer € 2.700.000,- aan werkzaamheden in de richtprijs, ongeveer € 477.000,- aan (uitgevoerd) meerwerk, ongeveer € 125.000,- aan extra kosten en ongeveer € 269.000,- aan prijsstijgingen). [eiser sub 1] c.s. hebben ongeveer € 2.500.000,- betaald en [gedaagde] wil nog voor ongeveer € 1.100.000,- aan zekerheidstelling. De waarde van het nog uit te voeren werk in de richtprijs bedraagt ongeveer € 530.000,-, zegt [gedaagde] . Volgens [eiser sub 1] c.s. is de huidige waarde van het werk ongeveer € 1.600.000,- (met verwijzing naar het rapport van [onderneming] , productie 16 bij dagvaarding), terwijl al ongeveer € 2.500.000,- is betaald.
3.17.
Tussen partijen is onder andere discussie over de kosten voor (uitgevoerd) meerwerk. [gedaagde] stelt dat er reeds voor ongeveer € 477.000,- aan meerwerk is uitgevoerd en verwijst ter onderbouwing naar productie 43 bij haar conclusie van antwoord. Daarnaast stelt [gedaagde] dat de werkzaamheden tot nu toe ongeveer € 125.000 meer hebben gekost dan begroot.
Dictum
De voorzieningenrechter
in conventie
4.1.
gebiedt [gedaagde] om de bouwwerkzaamheden binnen één week na betekening van dit vonnis te hervatten op de onder ro. 3.8 genoemde wijze, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat [gedaagde] dit nalaat, met een maximum van € 25.000,-,
4.2.
gebiedt [gedaagde] om de werkzaamheden op de lijst van 17 juli 2023 als productie 3 bij dagvaarding, met uitzondering van de werkzaamheden met een kruisje in de kolommen “meerwerk” en “opgevoerd als meerwerk” (zie ro. 3.12) af te maken en de woning voor 1 maart 2024 op te leveren, op straffe van een dwangsom van € 1.500,- per dag dat [eiser sub 1] c.s. dit nalaat, met een maximum van € 150,000,-,
4.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
4.6.
gebiedt [eiser sub 1] c.s. om binnen één week na betekening van dit vonnis zekerheid te stellen ter waarde van € 373.000,- in de vorm van een door [gedaagde] op eerste schriftelijk verzoek in te roepen bankgarantie verstrekt door een Nederlandse bankinstelling van goede naam en faam,
4.7.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt,
4.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2023.