Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-11-13
ECLI:NL:RBMNE:2023:5998
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,930 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/2737
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2023 in de zaak tussen
1. [eiseres 1] B.V.statutair gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,
2. [eiseres 2] B.V.statutair gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
eisers (gemachtigde: mr. R.J. Donkersloot),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eisers hebben ingediend omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op het bezwaar tegen het besluit van 20 december 2022.
Verweerder heeft in beroep geen verweerschrift overlegd, terwijl daar wel om is gevraagd.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eisers hebben het bezwaarschrift ingediend op 27 januari 2023. Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn is verstreken. Omdat er een adviescommissie is geldt in dit geval een termijn van twaalf weken. Dat staat in de artikelen 7:10 en 7:13 van de Awb, Hierbij moeten de vier dagen die eisers nodig hebben gehad om het bezwaarschrift compleet te maken nog bij worden opgeteld. Verweerder had uiterlijk op 29 april 2023 moeten beslissen. De rechtbank stelt vast dat verweerder op die datum nog steeds niet had beslist. De rechtbank stelt verder vast dat eisers verweerder op 31 mei 2023 in gebreke hebben gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken
4. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb).
5. In artikel 4:17 van de Awb staat dat als een bestuursorgaan niet op tijd een besluit neemt, het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen voor elke dag dat het in gebreke is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden (artikel 4:18, lid 1, Awb).
6. Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit nu alsnog (artikel 8:55c Awb). De dwangsom is in dit geval volledig verbeurd en bedraagt € 1.442,-.
7. Omdat verweerder nog geen beslissing op bezwaar heeft genomen bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Verweerder moet dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak (artikel 8:55d, lid 1, Awb).
8. Eisers hebben in hun beroepschrift verzocht om een dwangsom van € 5.000,- per dag dat verweerder niet op het bezwaar beslist na de dag waarop twee weken zijn verstreken na de uitspraak van de rechtbank. Zij verzoeken dit, omdat er volgens hun anders onvoldoende prikkel wordt gegeven om snel te beslissen. Daarnaast heeft verweerder na verzenden van de ontvangstbevestiging geen schriftelijke mededelingen meer gedaan over de bezwaarprocedure en werd er pas na telefonische navraag aangegeven dat er een hoorzitting gepland zal worden. Het project van eisers loopt door het te late beslissen aanzienlijke vertraging op, als gevolg waarvan eisers schade lijden.
9. Artikel 8:55d, eerste lid bepaalt dat indien het beroep gerond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, de bestuursrechter bepaald dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. Artikel 8:55d, tweede lid bepaalt dat de bestuursrechter een nadere dwangsom aan zijn uitspraak verbindt voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven. In de regel wordt een dwangsom bepaald op € 100,- per dag, met een maximum van € 15.000,-. Indien een sterke prikkel nodig is (vanwege weigerachtigheid van het bestuursorgaan of het grote belang) wordt de dwangsom bepaald op € 250,- per dag met een maximum van € 37.500,-. In concrete gevallen kan van dit beleid afgeweken worden, bijvoorbeeld bij een zeer groot belang.
10. De rechtbank ziet in datgene dat eisers aanvoeren geen reden om af te wijken van de dwangsom zoals die in de regel wordt bepaalt. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
11. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Awb). Dat betekent ook dat eisers een vergoeding krijgen voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eisers een professionele (juridische) hulpverlener hebben ingeschakeld om voor hen een beroepschrift in te dienen. De rechtbank hanteert een wegingsfactor van 0,25, omdat deze zaak van zeer licht gewicht is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in dit geval sprake is van een beroep vanwege het niet tijdig beslissen, waarbij het – al dan niet in geld uit te drukken – belang zeer beperkt is en de aard van de zaak zeer eenvoudig is. Dat geeft aanleiding om ten aanzien van het in onderdeel C1 van de bijlage bij het Bpb opgenomen gewicht van de zaak twee categorieën lager te hanteren dan ‘gemiddeld’. De rechtbank verwijst naar haar uitspraak van 4 september 2023. Toegekend wordt € 209,25.
12. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eisers betalen.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep van eisers gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eisers hebben betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 209,25 aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2023.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
ECLI:NL:RBMNE:2023:4482