Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-09-13
ECLI:NL:RBMNE:2023:5296
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,618 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummers: C/16/539105 / FA RK 22-836 (echtscheiding)
C/16/554589 / FA RK 23-663 (vermogensrechtelijke afwikkeling)
Echtscheiding
Beschikking van 13 september 2023
in de zaak van
[de man]
, volgens de huwelijksakte genaamd [de man],
wonend in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. M. Kaouass,
tegen
[de vrouw]
, volgens de huwelijksakte genaamd [de vrouw],
wonend in [woonplaats 2] (België),
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M. Amrani.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank heeft op 14 maart 2023 de beslissing op het verzoek tot echtscheiding en de nevenverzoeken over de kinderalimentatie, de partneralimentatie en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap aangehouden tot een nader te bepalen zitting.
1.2.
De rechtbank heeft partijen voorafgaand aan de mondelinge behandeling een e-mail gestuurd met het verzoek zich uit te laten over het toepasselijk recht op de alimentatie en de nationaliteit van partijen ten tijde van de huwelijkssluiting.
1.3.
De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
het F9-formulier van 29 augustus 2023 van de vrouw met bijlage;
de brief van 29 augustus 2023 van de vrouw.
1.4.
Op 31 augustus 2023 heeft opnieuw een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen waren aanwezig, bijgestaan door hun advocaten.
2Waar deze procedure over gaat
2.1.
Partijen zijn op [huwelijksdag] 1989 in [plaats 1] (Marokko) met elkaar getrouwd. Ze hebben in ieder geval de Nederlandse nationaliteit. Ze zijn de ouders van de 12-jarige [minderjarige] .
2.2.
De man verzoekt de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. De vrouw refereert zich aan het verzoek tot echtscheiding van de man. Daarnaast hebben partijen verzoeken gedaan over het gezag over [minderjarige] , kinderalimentatie, partneralimentatie en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.
2.3.
In de genoemde tussenbeschikking van 14 maart 2023 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard kennis te nemen van het verzoek over het gezag.
3De verdere beoordeling
3.1.
De rechtbank stelt iedere definitieve beslissing uit en stelt partijen in de gelegenheid zich nader uit te laten zoals onder het kopje ‘De beslissing’ staat vermeld. Partijen hebben de rechtbank op dit moment op diverse punten onvoldoende voorgelicht om een eindbeslissing te kunnen nemen. De rechtbank zal hierna uitleggen wat zij nog van partijen verwacht en waarom.
De echtscheiding
3.2.
De rechtbank is bevoegd van het verzoek tot echtscheiding kennis te nemen (artikel 3 van de Verordening (EG) nr. 2201/2003, hierna Brussel IIbis), omdat partijen beiden de Nederlandse nationaliteit hebben. Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is het Nederlands recht van toepassing.
3.3.
Uitgangspunt van de wet (artikel 827 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) is dat de rechter zoveel mogelijk in één keer beslist over de echtscheiding en de nevenvoorzieningen. De man verzoekt de echtscheiding alvast uit te spreken, maar de vrouw maakt hiertegen bezwaar. Er kunnen goede redenen zijn af te wijken van het wettelijke uitgangspunt, maar de man stelt alleen dat hij vastloopt bij diverse instanties omdat partijen nog niet gescheiden zijn. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is dat niet genoeg om alvast de echtscheiding uit te spreken.
De kinderalimentatie
3.4.
De rechtbank is bevoegd van de verzoeken over de kinderalimentatie kennis te nemen, omdat deze zijn ingediend als nevenvoorziening in de echtscheidingsprocedure (artikel 3 sub c Verordening (EG) nr. 4/2009, hierna de Ali-Vo). De rechtbank constateert dat – in tegenstelling tot waar tijdens de mondelinge behandeling van uit is gegaan – op grond van artikel 15 Ali-Vo jo. artikel 4 lid 3 Haags Protocol van 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen (hierna: Protocol) het Nederlands recht van toepassing is op dit alimentatieverzoek, omdat de vrouw een zelfstandig verzoek tot het vaststellen van kinderalimentatie in Nederland heeft ingediend.
3.5.
De rechtbank beschikt over onvoldoende gegevens om de kinderalimentatie te kunnen berekenen. Zij zal partijen in de gelegenheid stellen hun inkomensgegevens ten tijde van hun uiteengaan in 2015 in het geding te brengen, alsmede actuele inkomensgegevens, vergezeld van een behoefte- en draagkrachtberekening. Vervolgens zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld op elkaar te reageren.
De partneralimentatie
3.6.
De rechtbank is ook bevoegd van de verzoeken over de partneralimentatie kennis te nemen (artikel 3 sub c Ali-Vo). Op de verzoeken is het Belgisch recht van toepassing, omdat de onderhoudsgerechtigde (de vrouw) haar gewone verblijfplaats in België heeft (artikel 15 Ali-Vo jo. artikel 3 Protocol). De vrouw heeft een beroep gedaan op artikel 5 Protocol, in die zin dat zij zich het recht voorbehoudt zich tegen toepassing van het Belgisch recht te verzetten als zij daardoor in een ongunstiger positie zou komen te verkeren dan wanneer Nederlands recht van toepassing is. De rechtbank gaat aan dit voorwaardelijke beroep op artikel 5 van het Protocol voorbij, omdat het criterium voor een geslaagd beroep op dit artikel is dat het recht van een andere staat nauwer verbonden is met het huwelijk. De vrouw heeft niet uitdrukkelijk gesteld dat het huwelijk nauwer verbonden is met het Nederlands recht.
De rechtbank zal de vrouw een termijn verschaffen om zich nader uit te laten over de inhoud van het Belgisch recht en de toepassing daarvan op voorliggend verzoek om partneralimentatie, vergezeld van berekeningen naar Belgisch recht. Vervolgens wordt de man in de gelegenheid gesteld om te reageren.
De vermogensrechtelijke afwikkeling
Bevoegdheid en toepasselijk recht
3.7.
De rechtbank zal hierna per onderdeel beoordelen of zij bevoegd is van de verzoeken kennis te nemen. Partijen zijn gehuwd op [huwelijksdag] 1989 in [plaats 1] (Marokko), zodat het toepasselijk recht moet worden bepaald aan de hand van het arrest [A] / [B] ( Hoge Raad 10 december 1976, NJ 1977/275 ). Van een rechtskeuze voorafgaand aan het huwelijk is niet gebleken. Ten tijde van de huwelijkssluiting hadden partijen allebei uitsluitend de Marokkaanse nationaliteit. Om die reden is het Marokkaans recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen.
Geen gemeenschap van goederen
3.8.
Het Marokkaans recht kent geen gemeenschap van goederen. Iedere echtgenoot houdt wat van hem/haar is en wat hij of zij tijdens het huwelijk verkrijgt. Wel zijn er overeenkomsten over en weer mogelijk (bijvoorbeeld koop of schenking). Dit betekent het volgende voor de verzoeken van partijen.
Het huis in [plaats 2] (Marokko)
3.9.
Partijen zijn het erover eens dat zij samen eigenaar zijn van het huis in [plaats 2] . Zoals hiervoor al is uitgelegd, bestaat er tussen partijen op grond van het Marokkaans recht geen gemeenschap van goederen.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
stelt beide partijen in de gelegenheid om:
uiterlijk 26 oktober 2023 inkomensgegevens te overleggen ten tijde van hun uiteengaan in 2015 alsmede actuele inkomensgegevens, vergezeld van een behoefte- en draagkrachtberekening voor de kinderalimentatie;
uiterlijk 9 november 2023 schriftelijk op het standpunt van de ander te reageren,
4.2.
stelt de vrouw in de gelegenheid uiterlijk 26 oktober 2023 de rechtbank schriftelijk te informeren over de inhoud van het Belgisch recht en de toepassing daarvan op het voorliggende verzoeken over de partneralimentatie, vergezeld van berekeningen naar Belgisch recht,
4.3.
stelt de man vervolgens in de gelegenheid uiterlijk 9 november 2023 schriftelijk te reageren op de nadere onderbouwing van de vrouw van de partneralimentatie,
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.E. Heinemann, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. F. de Kleijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 september 2023.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.