Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-09-01
ECLI:NL:RBMNE:2023:4713
Bestuursrecht, Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Mondelinge uitspraak
1,844 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/5259
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
1 september 2023 in de zaak tussen
[eiser] en [eiseres] , uit [woonplaats] , eisers,
(gemachtigde: mr. C.A. Blankenstein)
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laren (het college), verweerder,
(gemachtigde: S.J.M. Paffen en mr. G. de Josselin).
Als derde-partij neemt aan het geding deel: [derde-partij]
Zitting
De rechtbank heeft het beroep van eisers tegen het bestreden besluit van het college van
29 september 2022, op 1 september 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres] , de gemachtigde van eisers, de derde-partij en de gemachtigden van het college.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank hierna onder de beslissing.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 29 september 2022;
- draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.674,- aan proceskosten aan eisers.
Inleiding
1. Eisers hebben op 29 juni 2021 een handhavingsverzoek ingediend ten aanzien van een bestaande, gewijzigde carport/overkapping op het perceel [adres] in [woonplaats] . Volgens eisers heeft de eigenaar de carport verbouwd van overkapping naar gebouw.
2. Met het besluit van 21 maart 2022 is het verzoek om handhaving afgewezen. Tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt.
3. Met het besluit van 29 september 2022 (het bestreden besluit) heeft het college besloten zich te conformeren aan het advies van de commissie voor bezwaarschriften van 25 juli 2022 en het bezwaar van eisers niet-ontvankelijk te verklaren.
4. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Beoordeling
5. Eisers voeren aan dat het college hun bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens eisers zijn zij als huurder en gebruiker van het perceel met nummer [perceelnummer] een persoonlijk gerechtigde van dit perceel en zijn zij in die hoedanigheid als belanghebbende aan te merken.
6. Bij handhaving in het omgevingsrecht zijn bewoners, eigenaren en andere persoonlijk of zakelijk gerechtigden van percelen die grenzen aan het perceel waar het verzoek om handhaving op ziet, in beginsel belanghebbende. Bij aangrenzende percelen wordt er namelijk van uitgegaan dat de feitelijke gevolgen in beginsel van enige betekenis zijn. Voor het aannemen van belanghebbendheid is het niet noodzakelijk dat de gerechtigde van het aangrenzende perceel ook op dat perceel woont. Als niet is uitgesloten dat een gerechtigde van een aangrenzend perceel op dat perceel feitelijke gevolgen van enige betekenis kan ondervinden, dan heeft die persoon een rechtstreeks betrokken belang in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Dit is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7. Het college heeft tijdens de zitting aangegeven het niet eens te zijn met deze lijn en dat bewust in strijd met deze lijn is gehandeld. Bij de beoordeling of iemand belanghebbende is heeft het college zich echter te houden aan de wet en de uitleg die daaraan gegeven wordt in de jurisprudentie.
8. Eisers huren het perceel met nummer [perceelnummer] . Zij zijn dus persoonlijke gerechtigden van dat perceel. Het enkele feit dat eisers het perceel huren, zorgt er nog niet voor dat hun belang slechts een afgeleid belang is. Dat perceel grenst aan het perceel waar volgens eisers de overtredingen plaatsvinden en waar het verzoek om handhaving op ziet. Dat betekent dat eisers in beginsel belanghebbenden zijn, tenzij is uitgesloten dat eisers feitelijke gevolgen van enige betekenis ervaren. De rechtbank vindt dat dit niet is uitgesloten.
9. De verbouwing van de carport op het naastgelegen perceel zou volgens eisers in strijd zijn met het geldende bestemmingsplan. De afstand van de carport tot aan het door eisers gehuurde perceel is nog geen twee meter. Eiser en de derde-partij zijn het er over eens dat vanaf het door eisers gehuurde perceel niet overal maar op sommige plekken wel zicht is op de carport. De foto’s van het college, genomen vanaf het perceel van derde-partij, veranderen daar niets aan. De rechtbank vindt het daardoor niet uitgesloten dat eisers feitelijke gevolgen van enige betekenis ervaren. Het college heeft eisers dus onterecht niet als belanghebbende aangemerkt. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie
11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat het college opnieuw moet beslissen op het bezwaarschrift van eiser en het bezwaar inhoudelijk zal moeten beoordelen. Ook draagt de rechtbank niet aan het college op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat deze zaak tot nu toe alleen ging over de ontvankelijkheid van het bezwaar.
12. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.
13. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.674,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
14. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2023 door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.C.P. Maarhuis, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.
ECLI:NL:RVS:2020:1671
ECLI:NL:RVS:2022:641.
ECLI:NL:RVS:2021:2630.