Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-06-07
ECLI:NL:RBMNE:2023:4669
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,263 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/1517
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 juni 2023 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. H.M. Mauritz),
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR
(gemachtigde: P.A. van Leerdam).
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 6 april 2023 waarbij het CBR het rijbewijs van verzoeker per 13 april 2023 ongeldig heeft verklaard omdat verzoeker de uitvoeringskosten voor het onderzoek niet (tijdig) heeft betaald.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Het CBR heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 mei 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het CBR. De gemachtigde van verzoeker is, met bericht van verhindering, niet verschenen
Beoordeling
1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Voorlopige voorziening
2. Om een voorlopige voorziening te treffen, moet de voorzieningenrechter eerst beoordelen of het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft (dat wil zeggen of dat bezwaar kansrijk is) en daarna moet zij nog een eigen belangenafweging maken.
Redelijke kans van slagen
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bezwaar van verzoeker geen redelijke kans van slagen heeft en zal hierna uitleggen waarom niet.
4. Het CBR moet het rijbewijs ongeldig verklaren als niet wordt meegewerkt aan het onderzoek. Als het niet meewerken wordt onder andere aangemerkt het niet voldoen van de kosten binnen de termijn die is aangegeven bij het besluit waarbij een onderzoek naar de geschiktheid is opgelegd. Dit is door de wetgever dwingendrechtelijk voorgeschreven en het CBR heeft daarbij dus geen beoordelingsruimte of beleidsruimte.
5. Niet in geschil is dat verzoeker de tweede en vierde termijn van de betalingsregeling voor het betalen van de uitvoeringkosten niet tijdig heeft voldaan. Vanwege de niet tijdige betaling van de kosten was het CBR gehouden tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van verzoeker over te gaan. Zoals hierboven staat, heeft het CBR hierbij geen ruimte voor een belangenafweging.
6. De voorzieningenrechter overweegt verder dat zij de ongeldigverklaring ook niet kan toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Dat het CBR bij het niet (tijdig) betalen van de uitvoeringskosten het rijbewijs ongeldig moet verklaren, staat in een wet in formele zin en daarom kan dit niet worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Er kan alleen nog aanleiding bestaan voor een zogenoemde contra-legem toepassing van algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht als zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet volledig zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en deze omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.
7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hiervan geen sprake. Uit de wetsgeschiedenis blijkt namelijk dat de wetgever heeft willen voorkomen dat een rijbewijshouder zich aan de hem opgelegde educatieve maatregel onttrekt door betaling van de kosten alsmaar uit te stellen. Daarom is destijds opgenomen dat het niet betalen van de aan de educatieve maatregel verbonden kosten binnen de vastgestelde termijn is aan te merken als het niet verlenen van de vereiste medewerking. Een soortgelijke regeling is vervolgens opgenomen voor het onderzoek naar de rijgeschiktheid. De essentie is dus dat het niet (tijdig) betalen van de kosten tot gevolg heeft dat het CBR het rijbewijs ongeldig moet verklaren. Deze essentie kan de wetgever niet zijn ontgaan, zodat moet worden aangenomen dat hij de gevolgen van toepassing daarvan heeft bedoeld en voorzien. Dat geldt ook specifiek voor het door verzoeker genoemde gevolg dat hij zonder rijbewijs in de problemen komt voor zijn in- en verkoopwerk bij zijn bedrijf in de [handel] , waarvoor hij zijn rijbewijs hard nodig heeft. Inherent aan de ongeldigverklaring is namelijk dat iemand niet mag rijden en daarmee is het een gegeven dat dit een lastige situatie kan opleveren voor werk voor veel mensen. De voorzieningenrechter ziet hierin dan ook geen bijzondere omstandigheid die de wetgever niet heeft onderkend. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat verzoeker zijn rijbewijs na invordering door de officier van justitie op 14 oktober 2022 voor de duur van zeven maanden, na een beklagprocedure, van de strafrechter terug heeft gekregen. De ongeldigverklaring van een rijbewijs is een bestuursrechtelijke maatregel en de voorzieningenrechter ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de wetgever er destijds niet op bedacht was dat daarnaast een strafrechtelijke invordering van het rijbewijs (en teruggave daarvan na enige tijd) zou hebben kunnen plaatsvinden.
Belangenafweging
8. De voorzieningenrechter moet bij een verzoek om een voorlopige voorziening ook altijd nog zelf de belangen afwegen. De voorzieningenrechter begrijpt dat de belangen van verzoeker groot zijn. Maar als al zo duidelijk is dat het bezwaar niet zal slagen, is er feitelijk geen ruimte meer om op grond van een belangenafweging nog te beslissen dat verzoeker (tijdelijk) zijn rijbewijs terugkrijgt. Als de voorzieningenrechter al zou beslissen dat verzoeker in de bezwaarfase toch zou mogen autorijden, vervalt die mogelijkheid overigens direct op het moment dat het CBR een beslissing op het bezwaar neemt en die beslissing zal dan zijn dat het bezwaar ongegrond is. Gelet daarop en de belangen van verzoeker afwegend tegen de belangen van de samenleving die het CBR voorstaat, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de voorziening vanwege de belangen van verzoeker toe te wijzen. Daarbij merkt de voorzieningenrechter nog op dat het CBR ook heeft gezien dat verzoekers belang bij zijn rijbewijs groot is. Het CBR is daarom bereid geweest om verzoeker tegemoet te komen door, als verzoeker de uitvoeringskosten volledig heeft betaald, een specialist te zoeken waar verzoeker op korte termijn terecht kan, diezelfde specialist te verzoeken het onderzoek met voorrang te verrichten en het onderzoeksrapport na ontvangst ook met voorrang te beoordelen, zodat een eventuele positieve uitslag zo spoedig mogelijk bekend kan worden gemaakt. Ter zitting is vervolgens gebleken dat er een intakegesprek met verzoeker staat gepland op 10 juni 2023 en dat verzoeker vóór 3 juli 2023 door een specialist wordt gezien. Daarna zal er zo spoedig mogelijk een rapportage worden opgemaakt.
Conclusie
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker geen gelijk krijgt en dat hij zijn rijbewijs niet voor de duur van de bezwaarprocedure terugkrijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Pruntel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2023.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 132, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1552 en 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2412.
Artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Gelet op het toetsingsverbod uit artikel 120 van de Grondwet. Zie ter vergelijking ook ABRvS van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:852. r.o. 7.2 en 7.3.
ABRvS van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:852. r.o. 7.4.
Kamerstukken II 1995/96, 24 496, nr. 8, pagina 15.
Kamerstukken II 2007/08, 31 340, nr. 3, pagina 5 (MvT).