Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-08-31
ECLI:NL:RBMNE:2023:4635
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,178 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Lelystad
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/1890
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 augustus 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. S. Karami)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. J.R. Staarthof)
Inleiding
De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) in verband met de betalingsonmacht van [werkgever] B.V.
Het Uwv heeft deze aanvraag met het besluit van 1 juni 2022 (het primaire besluit) afgewezen, omdat eiseres onvoldoende heeft onderbouwd dat zij werkzaam is geweest bij [werkgever] B.V. Met het bestreden besluit van 15 februari 2023 op het bezwaar van eiseres is het Uwv bij de afwijzing van deze aanvraag gebleven.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit op 31 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. A. Azauiyat als waarnemer van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv.
Na afloop van de behandeling van de zaak op de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan, waarbij is gewezen op de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan.
Beoordeling
1. Eiseres is van mening dat zij recht heeft op een WW-uitkering in verband met de betalingsonmacht van [werkgever] B.V., omdat zij daar werkzaam is geweest. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst eiseres naar haar belgeschiedenis, verschillende berichten en WhatsAppgesprekken van en met collega’s, een verklaring van een collega en foto’s.
2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met haar overgelegde stukken geen objectieve en controleerbare gegevens overgelegd die aannemelijk maken dat zij werkzaam is geweest bij [werkgever] B.V. De verklaringen, de gesprekken en de foto’s zijn onvoldoende en hieruit is niet duidelijk af te leiden dat sprake was van een arbeidsovereenkomst.
3. Ook wanneer sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst, is de rechtbank van oordeel dat eiseres onvoldoende voortvarend is geweest en daarom ook geen recht heeft op een WW-uitkering. Uit de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat een werknemer geen recht heeft op een WW-uitkering indien de werknemer de loonvordering geldend had kunnen maken toen de werkgever nog niet in betalingsonmacht verkeerde. Volgens eiseres heeft zij vanaf 1 april 2021 tot en met 30 september 2021 bij [werkgever] B.V. gewerkt. [werkgever] B.V. is op 15 februari 2022 failliet verklaard. Eiseres stelt dat zij voor het faillissement telefonisch en mondeling heeft geprobeerd afspraken te maken over de loonbetaling. Zij vertrouwde erop dat het goed zou komen en heeft daarom geen verdere stappen ondernomen. Uit de beschikbare stukken is niet gebleken dat eiseres tijdig, voldoende voortvarend en gericht actie heeft ondernomen om [werkgever] B.V. ertoe te brengen de loonvordering alsnog te voldoen.
Conclusie
4. Het Uwv heeft terecht beslist dat eiseres niet in aanmerking komt voor een WW-uitkering wegens betalingsonmacht van [werkgever] B.V. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Het Uwv hoeft geen proceskosten of griffierecht te vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2023 door
mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier.
de griffier is verhinderd om het
proces-verbaal te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:240.