Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-08-23
ECLI:NL:RBMNE:2023:4307
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Voorlopige voorziening
1,460 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 10597584 \ UC EXPL 23-4567
Vonnis in het incident van 23 augustus 2023
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. E.M. Horssius
tegen
de naamloze vennootschap
ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,
te Utrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ASR,
gemachtigde: mr. I. van der Putt-van Vessem.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding; - incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid; - conclusie van antwoord in het incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2Waar deze zaak over gaat
2.1.
[eiser] heeft bij ASR een schadeverzekering afgesloten voor een onroerende zaak waarvan hij eigenaar is. Die onroerende zaak is door brand beschadigd. Partijen verschillen van mening of die schade wel of niet voor vergoeding in aanmerking komt. In de hoofdzaak stelt [eiser] dat de schade € 246.900,- bedraagt. [eiser] beperkt en maximeert zijn vordering zonder enig voorbehoud tot € 25.000,- in deze en eventueel hieruit volgende procedures. [eiser] stelt verder dat hij de vordering op ASR voor het overige heeft overgedragen op een derde.
2.2.
ASR vraagt de kantonrechter om zich onbevoegd te verklaren. Volgens ASR is de vordering voor het overige niet daadwerkelijk overgedragen aan een derde, maar is er een pandrecht gevestigd of is afgesproken dat de derde zal incasseren ten behoeve van [eiser], zodat er sprake van lastgeving.
2.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
3.1.
De kantonrechter is van oordeel dat hij wel bevoegd is.
3.2.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 februari 1960 overwogen dat als na een gedeeltelijke cessie de vordering minder beloopt dan de absolute competentiegrens, de kantonrechter bevoegd is van deze vordering kennis te nemen, al bedroeg de oorspronkelijke vordering meer dan dit bedrag en al wordt deze in haar geheel door de debiteur betwist. Als reden daarvoor geldt dat aan de beslissing van de kantonrechter over het ene gedeelte van de vordering geen gezag van gewijsde toekomt ten aanzien van het andere gedeelte van de vordering.
3.3.
Voor zover ASR heeft bedoeld dat de bedoeling van [eiser] bij de cessie moet leiden tot het oordeel dat die cessie nietig is, gaat dat niet op. In het arrest van 19 december 1996 overwoog de Hoge Raad dat bij de overdracht van een gedeelte van een vordering, de bedoeling van partijen bij die overeenkomst om door middel van de overdracht te bewerkstelligen dat de kantonrechter bevoegd wordt kennis te nemen van een rechtsvordering ter zake van het niet overgedragen gedeelte van de vordering, die strekking de overeenkomst niet ongeoorloofd maakt. Daarnaast is het in deze zaak niet relevant of de cessie wel of niet geldig is. [eiser] heeft immers zijn vordering uitdrukkelijk beperkt tot € 25.000,- en daarbij aangegeven dat hij afziet, “zonder enig voorbehoud, hoe ook genaamd, in deze en volgende procedures van wat hij overigens in theorie en praktijk zou kunnen vorderen”. Als later zou blijken dat er geen rechtsgeldige overdracht van de vordering voor het overige heeft plaatsgevonden, of als [eiser] opnieuw eigenaar van de vordering voor het overige zou worden, kan [eiser] het deel van de vordering boven de € 25.000,- niet meer in rechte vorderen.
3.4.
ASR heeft verder betoogd dat er sprake is van een schijnhandeling en dat er geen sprake is van eigendomsoverdracht maar van een cessie ter incasso. Of dat zo is, zal moeten worden beoordeeld op het moment dat ASR wordt geconfronteerd met een vordering van de gestelde cessionaris. Ook dat is in deze procedure, waarin de vordering uitdrukkelijk is beperkt tot € 25.000,- niet relevant.
3.5.
Ten slotte heeft ASR nog gesteld dat er sprake lijkt te zijn van verpanding van de vordering voor het overige in plaats van een eigendomsoverdracht. Dit blijkt echter niet uit de stellingen van [eiser]. Die stelt immers dat de derde aan wie hij de vordering heeft overgedragen die vordering heeft verpand, en niet dat hij zelf die vordering heeft verpand.
3.6.
De incidentele vordering zal worden afgewezen. ASR wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten in het incident aan de zijde van [eiser], tot heden begroot op € 264,-.
Dictum
De kantonrechter
in het incident
4.1.
wijst de vordering in het incident af;
4.2.
veroordeelt ASR in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser] begroot op € 264,- aan salaris gemachtigde;
4.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak
4.4.
verwijst de zaak naar de rol van 20 september 2023 voor het nemen van de conclusie van antwoord door ASR;
4.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2023.
ECLI:NL:HR:1960:148
ECLI:NL:HR:1969:AC4977