Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-08-08
ECLI:NL:RBMNE:2023:4137
Civiel recht, Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
3,261 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Almere
Vonnis in kort geding van 8 augustus 2023
in de zaak met zaaknummer: 10577970 \ MV EXPL 23-78 D/51246 van
de stichting
STICHTING DE ALLIANTIE,
gevestigd te Hilversum
eiseres, hierna te noemen: de Alliantie,
gemachtigde: mr. D.L. van Praag,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. R. Zwiers
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 juli 2023 met 7 producties; - de mondelinge behandeling van 25 juli 2023, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt;
- de spreekaantekeningen van de Alliantie.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling van 25 juli 2023 was namens de Alliantie mevrouw [A] , [functie] , aanwezig. Namens de gemachtigde van de Alliantie was mr. H. Sevim aanwezig. Ook [gedaagde] was aanwezig. Hij werd bijgestaan door mr. Zwiers. Verder was aan de zijde van [gedaagde] de heer [B] , begeleider van [gedaagde] , aanwezig.
1.3.
Ten slotte is bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.
Geschil
Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt van de Alliantie de sociale huurwoning aan de [adres] in [plaats] . Hij woont daar met zijn meerderjarige dochter. Op 22 februari 2023 heeft de politie de woning doorzocht en daarbij in totaal 2355,9 gram hennep, 407,7 gram hasjiesj en 137,70 gram amfetamine aangetroffen. De burgemeester van de gemeente [gemeente] heeft daarna besloten dat de woning vanaf 4 mei 2023 wordt gesloten voor de duur van drie maanden. Vervolgens heeft de Alliantie [gedaagde] op 4 mei 2023 een brief gestuurd, waarin zij aangeeft de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. [gedaagde] is het daar niet mee eens.
Wat eist de Alliantie?
2.2.
De Alliantie vordert – samengevat – dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de woning uiterlijk op 11 augustus 2023 te ontruimen. Verder vordert de Alliantie dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Wat vindt [gedaagde] ?
2.3.
Volgens [gedaagde] is de buitengerechtelijke ontbinding disproportioneel. Hij voert aan dat alleen de aangetroffen harddrugs (de amfetamine) van hemzelf was en dat hij niets van de aangetroffen softdrugs af wist. Verder voert [gedaagde] nog aan dat hij al 25 jaar in de woning woont en dat hij en zijn meerderjarige dochter bij ontruiming dakloos zullen worden.
Wat oordeelt de kantonrechter?
2.4.
De Alliantie krijgt van de kantonrechter gelijk. Haar vorderingen zullen worden toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom dat zo is.
Beoordeling
2.5.
In dit kort geding moet de kantonrechter allereerst beoordelen of de Alliantie een spoedeisend belang bij haar vordering heeft. Van een spoedeisend belang is sprake als, gelet op de belangen van partijen, een onverwijlde voorziening geboden is en van de Alliantie niet kan worden verwacht dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de Alliantie een spoedeisend belang bij de door haar gevorderde ontruiming. Dat spoedeisend belang volgt (in ieder geval) uit de omstandigheid dat het in dit geval gaat om een sociale huurwoning. Het is een feit van algemene bekendheid dat het aanbod van dit type woningen schaars is en dat voor deze woningen lange wachtlijsten met kandidaat-huurders bestaan. Bovendien volgt de spoedeisendheid uit de grond voor de ontruimingsvordering, namelijk de woningsluiting vanwege de aanwezigheid van hard- en softdrugs in de woning. Van de Alliantie kan niet worden verlangd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht om duidelijkheid te krijgen over de beschikbaarheid van de woning.
2.6.
Vervolgens moet de kantonrechter beoordelen of de vordering van de Alliantie in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is om op de toewijzing daarvan vooruit te lopen. In dit vonnis in kort geding geeft de kantonrechter slechts een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen. In kort geding moet terughoudend worden geoordeeld over een vordering tot ontruiming van een woning, omdat een ontruiming een ingrijpend karakter en doorgaans onomkeerbare gevolgen heeft.
[gedaagde] moet de woning ontruimen
2.7.
De Alliantie legt primair aan haar vordering tot ontruiming ten grondslag dat zij de huurovereenkomst op 4 mei 2023 rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft ontbonden op grond van artikel 7:231 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Volgens de Alliantie heeft [gedaagde] geen recht of titel om na het einde van de burgemeestersluiting op 4 augustus 2023 weer gebruik te maken van de woning.
2.8.
[gedaagde] voert aan dat de aangetroffen softdrugs (in totaal 2763,6 gram) van een 28jarige jongen waren, die hij tijdelijk onderdak had geboden. Volgens [gedaagde] was hij vóór de huiszoeking door de politie 2,5 dag weggeweest om carnaval te vieren. [gedaagde] gaat ervan uit dat de jongen de softdrugs tijdens zijn afwezigheid in de woning heeft gebracht. Volgens [gedaagde] stond achterin de woonkamer een bed, waar de jongen sliep. In of rond dat gedeelte van de woning zijn volgens [gedaagde] ook alle softdrugs gevonden, behalve een shag verpakking met hennep kruimels en shag restanten onder het bed van de slaapkamer op de eerste etage. Volgens [gedaagde] zijn dat restanten van het roken van een joint. De aangetroffen amfetamine is volgens [gedaagde] wel van hemzelf. Deze drugs gebruikt hij af en toe, maar heeft hij nooit verhandeld. Onder deze omstandigheden en gelet op zijn belang bij het behoud van de woning, vindt [gedaagde] de buitengerechtelijke ontbinding disproportioneel.
2.9.
In artikel 7:231 lid 2 BW is bepaald dat een verhuurder een huurovereenkomst buitengerechtelijk kan ontbinden als door gedragingen in het gehuurde in strijd met artikel 2 of 3 van de Opiumwet is gehandeld en het gehuurde daarom op grond van artikel 13b van de Opiumwet is gesloten. Uit de last onder bestuursdwang volgt dat de burgemeester de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet heeft gesloten vanwege de aanwezigheid van hard- en softdrugs. Dit enkele feit rechtvaardigt in beginsel de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst op grond van artikel 7:231 lid 2 BW. Deze bepaling vereist niet dat het besluit tot sluiting van de woning onherroepelijk is. Verder is ook niet vereist dat sprake is van een (verwijtbare) tekortkoming door de huurder. Het is ook niet nodig dat de huurder op de hoogte was van de aanwezigheid van de verdovende middelen.
2.10.
Door de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden heeft de Alliantie gebruik gemaakt van een bevoegdheid die de wet haar geeft. Dit betekent niet zonder meer dat de gevorderde ontruiming moet worden toegewezen. De kantonrechter moet beoordelen of sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de ontbinding in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Bij die toetsing moet de kantonrechter alle relevante omstandigheden in aanmerking nemen en de belangen van de Alliantie en [gedaagde] tegen elkaar afwegen.
2.11.
Uit de last onder dwangsom blijkt dat in de woning een handelshoeveelheid hard- en softdrugs is aangetroffen. Of de harddrugs voor privégebruik bedoeld waren, kan in het midden blijven. De aangetroffen softdrugs geven namelijk voldoende aanleiding om de gevorderde ontruiming toe te wijzen. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling het standpunt ingenomen dat hij niets van de softdrugs af wist. De kantonrechter vindt dat standpunt niet geloofwaardig. Daarbij weegt de kantonrechter mee dat de politie op 3 februari 2023 de volgende anonieme melding heeft ontvangen:
“Vanuit de woning aan de [adres] in [plaats] , worden drugs verkocht. Bij de woning is het een komen en gaan van mensen. De meeste mensen verblijven slechts enkele minuten in de woning en vertrekken dan weer.”.
Verder hebben [gedaagde] en zijn gemachtigde tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat [gedaagde] op 22 februari 2023 ’s nachts bij een benzinepomp door de politie staande is gehouden. In zijn auto zijn toen pillen (naar de kantonrechter begrijpt: harddrugs) gevonden, waarna [gedaagde] is aangehouden. Die dag heeft ook de huiszoeking plaatsgevonden. De softdrugs is daarbij verspreid in de woning (voornamelijk over de benedenverdieping) aangetroffen. Zo lag er onder andere hennep in en op een keukenkastje, in een lade van een kast in de woonkamer en in een openstaande kast onder de trap. Gelet op deze omstandigheden vindt de kantonrechter het niet aannemelijk dat de 28-jarige jongen de softdrugs in 2,5 dag tijdens de afwezigheid van [gedaagde] in de woning heeft gebracht en dat [gedaagde] niet van de softdrugs op de hoogte was. De kantonrechter weegt ook mee dat de heer [B] namens [gedaagde] op 24 mei 2023 een zienswijze aan de gemeente [gemeente] heeft gestuurd, waarin hij namens [gedaagde] reageert op het voorgenomen besluit om de woning te sluiten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de heer [B] verklaard dat hij de zienswijze samen met [gedaagde] heeft opgesteld. In de zienswijze staat – voor zover van belang – het volgende:
“Mijnheer ziet in dat hij een vreselijk stomme fout heeft begaan, waarvoor hij nu dreigt zij huis te moeten verlaten. voor 3 maanden
Het grijpt hem aan dat hij zijn pogingen een eigen bestaan op te bouwen om zeep lijkt te hebben geholpen.
(…)
(…) hij vaak ook voor anderen klaar staat om te helpen.
Mensen die geen dak boven hun hoofd hebben en noodgedwongen hun dag buiten moeten doorbrengen.
Deze hulp heeft hem in het verleden ook problemen opgeleverd omdat er door deze mensen die hij hulp bood spullen vervreemd werden.
Van deze hulp heeft hij daarom sindsdien ook verder afgezien en dat vind nu niet meer plaats.”.
Het standpunt dat [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling heeft ingenomen – namelijk dat hij niet van de softdrugs op de hoogte was – lijkt af te wijken van het standpunt in de zienswijze van 24 mei 2023. Als [gedaagde] daadwerkelijk niets van de softdrugs in de woning af wist, zou het voor de hand hebben gelegen dat hij dat direct in de zienswijze zou hebben aangegeven. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan.
Dictum
De kantonrechter, recht doende in kort geding:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om de woning aan de [adres] in [plaats] met aan- en toebehoren en met inbegrip van de bij de woning behorende opslagruimten en tuinen uiterlijk op 11 augustus 2023 te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, voor zover die aan hem toebehoren en niet aan de Alliantie, en om de woning met aan- en toebehoren geheel ter vrije beschikking van de Alliantie te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden conform het in artikel 555 e.v. en artikel 444 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalde;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de Alliantie tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 786,85;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] , als hij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door
De Alliantie aan de veroordeling onder 3.2 voldoet, om de na dit vonnis ontstane kosten te
betalen, begroot op € 132,- aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen, als het
vonnis door de deurwaarder is betekend, met de explootkosten die hiervoor in rekening zijn
gebracht, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met
ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis;
3.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2023.