Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-07-26
ECLI:NL:RBMNE:2023:3887
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,196 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/4503
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juli 2023 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. J.B.M. Swart),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder.
Inleiding
Bij besluit van 3 december 2019 (het primaire besluit) heeft het Uwv aan verzoekster meegedeeld dat zij met ingang van 29 januari 2018 geen WAO-uitkering krijgt omdat sprake is van een andere ziekteoorzaak.
Bij besluit van 6 november 2020 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van verzoekster tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en heeft dit nadien aangevuld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft via videoverbinding plaatsgevonden op 15 februari 2022. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Het onderzoek is ter zitting geschorst in afwachting van een nadere medische rapportage van (de verzekeringsarts bezwaar en beroep van) het Uwv. De rechtbank heeft de medische rapportage op 5 april 2022 ontvangen.
Verzoekster heeft gereageerd op de medische rapportage.
De rechtbank heeft aanleiding gezien om een verzekeringsarts als deskundige te benoemen om verzoekster te onderzoeken. Op 10 maart 2023 heeft de rechtbank het rapport van de deskundige ontvangen.
Het Uwv heeft met het besluit van 26 april 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Het Uwv heeft het bezwaar van verzoekster alsnog gegrond verklaard. Verzoekster heeft per 29 januari 2018 recht op een WAO-uitkering, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Naar aanleiding van het besluit van 26 april 2023 heeft verzoekster het beroep ingetrokken en daarbij verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het Uwv heeft de rechtbank meegedeeld dat zij geen inhoudelijk commentaar hebben.
Overwegingen
De rechtbank sluit het onderzoek en doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepsschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dat staat in artikel 8:75a van de Awb.
Met het gewijzigde besluit op bezwaar van 26 april 2023 is het Uwv tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster. Bij het nieuwe besluit heeft het Uwv al een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend. De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenvergoeding beperkt zich daarom tot de beroepsfase. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen en de rechtbank veroordeelt het Uwv in de proceskosten van verzoekster.
Kosten voor rechtsbijstand
4. Verzoekster verzoekt om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Uwv moet deze vergoeding betalen.
5. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting deelgenomen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde per punt van € 837,- met een wegingsfactor 1. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.674,-.
Reiskosten
6. Verzoekster verzoekt de rechtbank om het Uwv ook te veroordelen in de reiskosten voor het bijwonen van het deskundigenonderzoek op 17 januari 2023. Zij vraagt om vergoeding van een totaalbedrag van € 46,60 voor het bezoeken van de deskundige.
7. Reiskosten voor het bezoeken van een door de rechtbank ingeschakelde deskundige, komen op grond van artikel 1 aanhef en onder d Bpb in samenhang met artikel 11, lid 1, sub d Besluit tarieven in strafzaken, voor vergoeding in aanmerking. De reiskosten voor het bezoeken van de deskundige op 17 januari 2023 komen op basis van het openbaarvervoertarief, tweede klas, tot een bedrag van € 46,60 voor vergoeding in aanmerking. Conclusie
8. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die het Uwv moet betalen vast op een bedrag van € 1.720,60 (€ 1.674,- + € 46,60).
9. De rechtbank wijst erop dat het Uwv op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 48,- te vergoeden. Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot het Uwv wenden.
Dictum
De rechtbank veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.720,60 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr B.M.M. Tijink, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/4503
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juli 2023 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. J.B.M. Swart),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder.
Inleiding
Bij besluit van 3 december 2019 (het primaire besluit) heeft het Uwv aan verzoekster meegedeeld dat zij met ingang van 29 januari 2018 geen WAO-uitkering krijgt omdat sprake is van een andere ziekteoorzaak.
Bij besluit van 6 november 2020 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van verzoekster tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en heeft dit nadien aangevuld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft via videoverbinding plaatsgevonden op 15 februari 2022. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Het onderzoek is ter zitting geschorst in afwachting van een nadere medische rapportage van (de verzekeringsarts bezwaar en beroep van) het Uwv. De rechtbank heeft de medische rapportage op 5 april 2022 ontvangen.
Verzoekster heeft gereageerd op de medische rapportage.
De rechtbank heeft aanleiding gezien om een verzekeringsarts als deskundige te benoemen om verzoekster te onderzoeken. Op 10 maart 2023 heeft de rechtbank het rapport van de deskundige ontvangen.
Het Uwv heeft met het besluit van 26 april 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Het Uwv heeft het bezwaar van verzoekster alsnog gegrond verklaard. Verzoekster heeft per 29 januari 2018 recht op een WAO-uitkering, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Naar aanleiding van het besluit van 26 april 2023 heeft verzoekster het beroep ingetrokken en daarbij verzocht het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het Uwv heeft de rechtbank meegedeeld dat zij geen inhoudelijk commentaar hebben.
Overwegingen
De rechtbank sluit het onderzoek en doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepsschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dat staat in artikel 8:75a van de Awb.
Met het gewijzigde besluit op bezwaar van 26 april 2023 is het Uwv tegemoet gekomen aan het beroep van verzoekster. Bij het nieuwe besluit heeft het Uwv al een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend. De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenvergoeding beperkt zich daarom tot de beroepsfase. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen en de rechtbank veroordeelt het Uwv in de proceskosten van verzoekster.
Kosten voor rechtsbijstand
4. Verzoekster verzoekt om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Uwv moet deze vergoeding betalen.
5. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting deelgenomen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde per punt van € 837,- met een wegingsfactor 1. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.674,-.
Reiskosten
6. Verzoekster verzoekt de rechtbank om het Uwv ook te veroordelen in de reiskosten voor het bijwonen van het deskundigenonderzoek op 17 januari 2023. Zij vraagt om vergoeding van een totaalbedrag van € 46,60 voor het bezoeken van de deskundige.
7. Reiskosten voor het bezoeken van een door de rechtbank ingeschakelde deskundige, komen op grond van artikel 1 aanhef en onder d Bpb in samenhang met artikel 11, lid 1, sub d Besluit tarieven in strafzaken, voor vergoeding in aanmerking. De reiskosten voor het bezoeken van de deskundige op 17 januari 2023 komen op basis van het openbaarvervoertarief, tweede klas, tot een bedrag van € 46,60 voor vergoeding in aanmerking. Conclusie
8. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die het Uwv moet betalen vast op een bedrag van € 1.720,60 (€ 1.674,- + € 46,60).
9. De rechtbank wijst erop dat het Uwv op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 48,- te vergoeden. Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot het Uwv wenden.
Dictum
De rechtbank veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.720,60 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr B.M.M. Tijink, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.