Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-07-12
ECLI:NL:RBMNE:2023:3457
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,314 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/395
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juli 2023 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. W. van Galen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, het college
(gemachtigde: mr. K. van der Veen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eisers hebben ingesteld omdat het college volgens hen niet op tijd heeft beslist op hun verzoek van 26 september 2022 om handhavend op te treden tegen elf opstallen op het perceel [adres] in [woonplaats] (het handhavingsverzoek).
1.1.
Op 13 maart 2023 heeft het college alsnog een besluit genomen op het handhavingsverzoek.
1.2.
Eisers verzoeken de rechtbank nu om de dwangsom vast te stellen die het college aan hen verschuldigd is, omdat hij niet tijdig op het handhavingsverzoek heeft beslist en om het college te veroordelen in de proceskosten. Het college heeft op dit verzoek gereageerd.
1.3.
Partijen hebben er mee ingestemd dat de rechtbank uitspraak doet zonder dat zij door de rechtbank op een zitting zijn gehoord.
1.4.
De rechtbank heeft het onderzoek op 7 juli 2023 gesloten.
Beoordeling
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een handhavingsverzoek kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Dat is wat eisers hebben gedaan. Inmiddels heeft het college op 13 maart 2023 wel een besluit op het handhavingsbesluit genomen. Omdat eisers het beroep niet hebben ingetrokken moet de rechtbank nog wel een beslissing nemen over het beroep.
Procesbelang bij het beroep niet tijdig ontbreekt
3. De rechtbank zal het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het handhavingsverzoek niet-ontvankelijk verklaren.
4. Eisers wilden met het beroep niet tijdig bereiken dat het college zou beslissen op het handhavingsverzoek. Omdat het college daarop inmiddels heeft beslist, heeft het college gedaan wat eisers wilden. De rechtbank hoeft dit dan ook niet meer aan het college op te dragen. Het beroep van eisers tegen het niet tijdig beslissen heeft geen zin meer. Eisers hebben daarom geen procesbelang meer bij hun oorspronkelijke beroep.
Heeft het college een dwangsom wegens niet tijdig beslissen verbeurd?
5. Het college verbeurt aan eisers een dwangsom als hij niet tijdig op een handhavingsverzoek beslist en eisers per brief aan het college hebben laten weten dat hij binnen twee weken alsnog moet beslissen op dit verzoek. Als het beroep niet tijdig gegrond is dan stelt de rechtbank op verzoek van eisers de hoogte van de verbeurde dwangsom vast.
6. De rechtbank is van oordeel dat zij ook nu zij het beroep niet tijdig niet-ontvankelijk zal verklaren, een oordeel kan geven over de vraag of het college aan eisers een dwangsom is verschuldigd. Zij zal dat hierna toelichten.
7. De rechtbank is van oordeel dat de brief van het college van 6 februari 2023 aan eisers waarin het college zich op het standpunt stelt dat hij geen dwangsom heeft verbeurd, een beschikking als bedoeld in artikel 4:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is. Een redelijke uitleg van de toepasselijke wettelijke bepalingen brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat als het college hangende het beroep niet tijdig alsnog op het handhavingsbesluit beslist, eisers in die beroepsprocedure als ze dat willen een rechterlijk oordeel kunnen krijgen over de rechtmatigheid van de beschikking over de dwangsom. Deze uitleg bevordert en finale beslechting van het geschil tussen partijen en doet recht aan de bedoeling van de toepasselijke wettelijke bepalingen.
8. De rechtbank zal in het vervolg van deze uitspraak daarom aan de hand van de beroepsgronden van eisers beoordelen of het college zich terecht op het standpunt stelt dat hij geen dwangsom heeft verbeurd aan eisers.
9. De rechtbank stelt bij deze beoordeling voorop dat voor het beslissen op het handhavingsverzoek geen wettelijke termijn geldt. In zo’n geval geldt dat het college binnen een redelijke termijn moet beslissen. Die redelijke termijn is in ieder geval na acht weken verstreken. Als het college niet binnen die acht weken een besluit kan nemen, moet hij dit aan eisers meedelen en daarbij vermelden binnen welke redelijke termijn eisers de beslissing wel tegemoet kunnen zien.
10. Partijen zijn het erover eens, en de rechtbank stelt ook vast dat het college niet binnen acht weken op het handhavingsbesluit heeft beslist. Het college heeft voordat de beslistermijn van acht weken was verstreken, met een brief van 16 november 2022 aan eisers meegedeeld dat hij niet binnen de acht weken op het handhavingsverzoek kon beslissen en dat eisers voor 1 januari 2023 een beslissing tegemoet konden zien.
11. Met een brief van 28 december 2022 heeft het college opnieuw aan eisers de mededeling gedaan dat hij niet tijdig op het handhavingsverzoek kon beslissen en de beslistermijn verlengd tot 1 maart 2023.
Geschil
13. Het handhavingsverzoek ziet op 11 opstallen. Uit onderzoek van het college was gebleken dat al deze bouwwerken zonder de daarvoor benodigde omgevingsvergunning waren gerealiseerd. Het college moest vervolgens voor elk opstal afzonderlijk onderzoeken of het onder de overgangsbepaling uit de planregels van het bestemmingsplan valt. Daarvoor moest hij nagaan of de opstallen op 15 februari 1982 al op het perceel aanwezig waren. Een dergelijk onderzoek kost tijd en het college is daarbij mede afhankelijk van gegevens die door de eigenaar van het perceel en door eisers worden aangeleverd over de feitelijke situatie op het perceel in 1982. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat het college voordat hij een last onder dwangsom aan de eigenaar van het perceel kan opleggen voor het zonder omgevingsvergunning bouwen van bouwwerken, hiervan eerst een vooraankondiging moet doen. Het college heeft deze vooraankondiging op 15 februari 2023 verzonden en de overtreder en eisers tot 24 februari 2023 de gelegenheid gegeven hierop hun zienswijze te geven. De rechtbank acht het aannemelijk dat het college dan nog tot 1 maart 2023 de tijd nodig had om deze zienswijzen te verwerken en een definitieve beslissing op het handhavingsverzoek te nemen.
14. Overigens hebben eisers zelf om uitstel gevraagd voor het indienen van hun zienswijze op de vooraankondiging tot en met 8 maart 2023. Het college heeft met dit uitstelverzoek ingestemd en de beslistermijn op het handhavingsverzoek met een brief 27 februari 2023 nogmaals verlengd tot 14 maart 2023. Het college heeft de beslissing op het handhavingsverzoek op 13 maart 2023 genomen.
15. De conclusie van het voorgaande is dat de door het college verlengde beslistermijn tot uiteindelijk 14 maart 2023 een redelijke termijn is als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, van de Awb. Daaruit volgt dat het college tijdig op het handhavingsverzoek heeft beslist en dus geen dwangsom wegens niet tijdig beslissen heeft verbeurd.
Conclusie
16. Het beroep niet tijdig is vanwege het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk. Verder heeft het college binnen een redelijke termijn op het handhavingsverzoek beslist en is hij dus geen dwangsom wegens niet tijdig beslissen verschuldigd aan eisers.
17. Omdat het beroep niet tijdig niet-ontvankelijk en het beroep tegen de beschikking over de dwangsom ongegrond is, krijgen verzoekers het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart:
het beroep niet tijdig niet-ontvankelijk en
het beroep tegen de beschikking over de dwangsom ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr.I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Artikel 4:17 van de Awb.
Artikel 8:55c van de Awb.
Artikelen 8:55c, 6:20, derde lid, en 4:19, eerste lid, van de Awb.
Artikel 4:13 van de Awb.
Artikel 4:14, derde lid, van de Awb.
Het college is hiertoe verplicht op grond van artikel 4:8 van de Awb.