Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-06-06
ECLI:NL:RBMNE:2023:2992
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,344 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/5119
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juni 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
De Minister van Financiën, Directie Juridische Zaken, verweerder
(gemachtigde: C.J.M. Kluijtmans).
Inleiding
Eiser heeft op 9 maart 2022 een Wob-verzoek ingediend over documenten inzake de beschikbaarheid van de Minister van Financiën van 8 maart 2022. Verweerder heeft bij besluit van 26 augustus 2022 de informatie aan eiser bekendgemaakt.
Eiser heeft tegen het besluit van 26 augustus 2022 bezwaar gemaakt.
Eiser heeft verweerder in gebreke gesteld en beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het niet-tijdig nemen van een besluit op aanvraag.
Met het bestreden besluit van 22 december 2022 heeft verweerder het bezwaar van eiser deels gegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep op 13 maart 2023 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen, verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling
1. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Dit volgt uit artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, onder f, van de Awb. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Zie artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
2. Verweerder heeft op 26 augustus 2022 een primair besluit genomen op het Wob-verzoek van eiser. Eiser heeft in reactie op dit besluit bij e-mailbericht van 29 augustus 2022 meegedeeld dat verweerder ten onrechte niet heeft gezocht naar berichten en communicatie in telefoons. Bij brief van 28 september 2022 heeft verweerder dit e-mailbericht opgevat als een nieuw Woo-verzoek. Eiser was het hier niet mee eens. Bij brief van 5 oktober 2022 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 augustus 2022. Verweerder heeft bij brief van 2 november 2022 aan eiser kenbaar gemaakt dat de vragen van eiser over de ontbrekende documenten bij nader inzien zullen worden meegenomen in de beslissing op bezwaar. Bij brief van 22 december 2022 heeft verweerder een besluit op bezwaar genomen. Tegen dit besluit heeft eiser geen inhoudelijke gronden aangevoerd.
3. Op 3 november 2022 heeft eiser beroep ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Daarbij is eiser er van uit gegaan dat verweerder niet tijdig heeft beslist op het in het e-mailbericht van 29 augustus 2022 door verweerder zo opgevatte (nieuwe) verzoek. Door in bezwaar te gaan tegen het besluit van 26 augustus 2022 met de grond dat verweerder ten onrechte zijn e-mailbericht van 29 augustus 2022 heeft aangemerkt als nieuw verzoek, is geen sprake meer van het niet tijdig beslissen op aanvraag (verzoek). Het aan de orde zijnde onderwerp van geschil is door eiser in bezwaar aan de orde gesteld en daardoor kan alleen beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingesteld indien de in bezwaar geldende termijnen zijn overschreden. Hiervan is geen sprake. Het beroep van eiser is om die reden niet-ontvankelijk.
4. Dat verweerder tot 2 november 2022 eiser in de veronderstelling heeft gelaten dat het e-mailbericht van 29 augustus 2022 wordt opgevat als een nieuw verzoek, is geen omstandigheid om tot een ander oordeel te komen. Eiser heeft met het indienen van bezwaar zijn belangen veilig gesteld. Voor het niet beantwoorden van zijn e-mailberichten, heeft eiser voorts de geëigende weg van de klachtenprocedure bewandeld.
Conclusie
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Er zijn verder geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Sari, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2023.
(De griffier is verhinderd de
uitspraak mede te ondertekenen).
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.