Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-06-01
ECLI:NL:RBMNE:2023:2834
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,850 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Lelystad
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/5210
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juni 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. G.J.A.M. Gloudi),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder
(gemachtigde: W.A. Postma).
Inleiding
Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1998 en is op [geboortedatum] 2016 achttien jaar geworden. Zij heeft op 16 oktober 2018 een aanvraag Beoordeling Arbeidsvermogen ingediend. Met het besluit van 6 november 2018 heeft het Uwv aan eiseres een Wajong-uitkering geweigerd, omdat eiseres over arbeidsvermogen beschikt.
Op 1 mei 2019 heeft eiseres nogmaals een aanvraag Beoordeling Arbeidsvermogen ingediend. Met het besluit van 3 juni 2019 heeft het Uwv geweigerd om terug te komen van het besluit van 6 november 2018, omdat de verzekeringsarts op 24 mei 2019 heeft gerapporteerd dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die aanleiding geven om de voorgaande Wajong-beoordeling te herzien.
Na een ziekmelding op 3 augustus 2020 in verband met zwangerschap heeft eiseres een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) en de Wet Arbeid en Zorg (WAZO) ontvangen. Aansluitend is haar een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend per einde wachttijd.
Op 7 september 2021 heeft eiseres nogmaals een aanvraag Beoordeling Arbeidsvermogen ingediend. Het Uwv heeft deze aanvraag aangemerkt als een verzoek om terug te komen op de afwijzing van haar Wajongaanvraag met de besluiten van 6 november 2018 en 3 juni 2019. De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 31 maart 2022 gerapporteerd dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn. Met het besluit van 1 april 2022 (het primaire besluit) heeft het Uwv daarom het verzoek afgewezen.
Eiseres is het daarmee niet eens en heeft bezwaar gemaakt. Met het besluit van 26 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift
ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2023. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Geschil
1. Dit geschil gaat over de vraag of eiseres in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering.
Daartoe dient de vraag te worden beantwoord of het Uwv terug had moeten komen op de afwijzing van de Wajongaanvragen in de besluiten van 6 november 2018 en 3 juni 2019.
2. Eiseres voert aan dat er sprake is van nieuwe medische feiten. Bij de eerdere Wajong-
Beoordeling
3. Het Uwv kan terugkomen op een onherroepelijke beslissing als er sprake is van
nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De bestuursrechter toetst aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of het Uwv zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het besluit van het Uwv die toets doorstaat, kan de bestuursrechter alleen nog aan de hand van wat eiseres heeft aangevoerd toetsen of de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het eerdere besluit evident onredelijk is. Daarvan zal volgens vaste rechtspraak slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn.
4. Nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden zijn feiten of omstandigheden die
zich ná het eerdere besluit hebben voorgedaan. Het kan ook gaan om feiten of omstandigheden die zich wel vóór het eerdere besluit hebben voorgedaan, maar die niet vóór dat besluit naar voren konden worden gebracht. Een medisch rapport is op zich niet aan te merken als een nieuw feit maar uit een medisch rapport kan de aanwezigheid van een nieuw feit blijken. Eiseres moet dus aan de hand van nieuwe feiten of omstandigheden laten zien dat zij in 2016 al meer beperkt was dan werd aangenomen.
Beoordeling
6. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 20 oktober 2022
gerapporteerd dat eiseres met haar rugklachten en scoliose, waarvoor zij fysiotherapeutische begeleiding heeft, heeft gefunctioneerd in werk en dat zij daarvoor in het verleden geen intensieve behandeling heeft gevolgd. Er is volgens hem geen sprake van nieuwe medische feiten of omstandigheden die een ander oordeel rechtvaardigen dan bij de eerdere Wajong-beoordelingen. In aanvulling daarop heeft hij in zijn rapport van 14 december 2022 toegelicht dat hij chronische rugklachten bij eiseres aannemelijk acht gezien haar fysieke gesteldheid met ondergewicht, waarbij tevens aannemelijk is dat zij een lage spiermassa en een laag uithoudingsvermogen heeft, zoals de fysiotherapeut heeft verklaard. Daar is bij de eerdere beoordelingen al rekening mee gehouden. Eiseres werd aangewezen geacht op licht fysiek werk en de arbeidsdeskundige heeft eiseres in 2018 geschikt geacht voor de fysiek zeer lichte taak van plaatsen van onderdelen op een printplaat. Dat eiseres op haar 18e verjaardag al een lichte scoliose had acht hij zeer wel mogelijk, maar nergens uit blijkt dat zij toen ernstige rugbeperkingen had. Eiseres heeft dat zelf destijds ook niet gemeld.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn
rapporten op inzichtelijke wijze uitgelegd waarom geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Eiseres heeft geen stukken ingebracht die nieuwe feiten bevatten over haar medische situatie op haar 18e verjaardag.
Evidente onredelijkheid
8. Voor het oordeel dat de weigering om terug te komen van de eerdere besluitvorming
evident onredelijk is, ziet de rechtbank geen aanleiding.
Conclusie
9. Het Uwv heeft terecht geweigerd om terug te komen van de besluiten van 6 november
2018 en 3 juni 2019. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 27 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4270.