Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-06-07
ECLI:NL:RBMNE:2023:2814
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
1,111 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/1211
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 juni 2023 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: J.A. de Bie),
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker vanwege de afwijzing van het CBR van eisers verzoek om herziening van het besluit van 22 februari 2022. In dit besluit is besloten dat eiser een onderzoek naar zijn drugsgebruik moet doen en dat de geldigheid van zijn rijbewijs wordt geschorst. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
1.2.
Het CBR heeft met het besluit van 3 november 2022 het verzoek afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 januari 2023 op het bezwaar van verzoeker is het CBR bij dit besluit gebleven. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld.
Beoordeling
Toetsingskader
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht € 184,-. Er kan een verzoek om vrijstelling van het griffierecht worden ingediend. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
Heeft verzoeker het griffierecht tijdig betaald?
2.1.
Verzoeker heeft op 5 maart 2023 verzocht om vrijstelling van het griffierecht. Op 22 maart 2023 heeft de rechtbank verzoeker gevraagd binnen een week een formulier in te vullen om het verzoek nader te onderbouwen. Verzoeker heeft hier niet op gereageerd. Op 12 april 2023 is het verzoek daarom afgewezen. Door tijdsverloop sinds de genoemde uitspraak UTR 22/3096, is de destijdse aanname van betalingsonmacht niet meer actueel. Vervolgens heeft de griffier bij aangetekend verzonden brief van 12 april 2023 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Toen verzoeker niet had betaald, heeft de rechtbank op 8 mei 2023 nog een herinnering per gewone post verstuurd. Verzoeker moest het griffierecht binnen twee weken betalen. Verzoeker heeft het griffierecht niet betaald.
Is het niet tijdig betalen verontschuldigbaar?
2.2.
Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
Conclusie
3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. Ruizendaal-van der Veen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2023.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Dit is geregeld in artikel 8:82 van de Awb in samenhang met artikel 8:41 van de Awb.