Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-04-13
ECLI:NL:RBMNE:2023:2766
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,505 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 22/3237
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 april 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: drs. C. van Oosten),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (het college), verweerder
(gemachtigden: mr. J.M. Hillenaar en mr. J.J. Broeze).
Procesverloop
Op 27 december 2021 heeft [aanvrager] (de aanvrager) een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor het kappen van een boom op het perceel [adres] in [woonplaats] . Met het besluit van 22 maart 2022 (het primaire besluit) heeft het college aan de aanvrager meegedeeld dat een vergunning van rechtswege is verleend.
Eiseres is het niet eens met dit besluit en heeft bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 21 juni 2022 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen omdat geen sprake is van een van rechtswege verleende vergunning. Het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten heeft het college afgewezen.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft een
verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2023. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Geschil
1. Deze zaak gaat uitsluitend over de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase.
2. Het college legt aan het bestreden besluit ten grondslag dat de proceskosten die eiseres
in de bezwaarfase heeft gemaakt niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat het primaire besluit niet is herroepen wegens een aan het college te wijten onrechtmatigheid. Volgens het college mocht bij de aanvraag er vanuit worden gegaan dat de aanvrager, die huurder is, belanghebbende was. Pas in de bezwaarfase bleek dat verhuurder [verhuurder] , als erfpachter, geen toestemming gaf voor de kap van de boom. Daarom was voor het college pas op dat moment duidelijk dat de aanvrager van de omgevingsvergunning geen belanghebbende is, dat zijn aanvraag geen aanvraag als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is en er dus ook geen vergunning van rechtswege kan zijn ontstaan.
3. Eiseres voert aan dat bij de aanvraag van de omgevingsvergunning duidelijk was dat de
aanvrager geen eigenaar was van de boom. Uit het feit dat het college de aanvrager heeft verzocht om, onder meer, schriftelijke toestemming van de eigenaar van de boom over te leggen, blijkt dat het college twijfelde of de aanvrager belanghebbende was. Omdat deze schriftelijke toestemming niet is overgelegd, had het college de aanvraag buiten behandeling moeten stellen. Het is aan het college te wijten dat hij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot buiten behandeling stelling en een vergunning van rechtswege heeft verleend.
Beoordeling
4. In de Awb is geregeld dat de in bezwaar gemaakte proceskosten door het
bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
5. Op grond van vaste rechtspraak geldt bij de beoordeling van de belanghebbendheid de
hoofdregel dat degene die een verzoek om verlening van een vergunning indient in beginsel wordt verondersteld belanghebbende te zijn bij een beslissing op het verzoek. Dit kan anders zijn als het verzoek om het verlenen van een vergunning betrekking heeft op gronden die bij een ander in eigendom zijn of waarop een ander zakelijke rechten heeft. Als aannemelijk is gemaakt dat de voorgenomen activiteit niet kan worden verwezenlijkt omdat de rechthebbende daarvoor geen toestemming wil geven en er geen mogelijkheid bestaat om de activiteit te verwezenlijken tegen de wens van de rechthebbende in (bijvoorbeeld via onteigening of het opleggen van een gedoogplicht), dan is de verzoeker geen belanghebbende.
6. De rechtbank is van oordeel dat op het moment van het ontstaan van de vergunning van
rechtswege niet aannemelijk was dat de zakelijk gerechtigde van de boom geen toestemming wilde geven voor de kap. Dat uit de aanvraag omgevingsvergunning blijkt dat de aanvrager de huurder is van de woning op het betreffende perceel, is onvoldoende om deze conclusie te trekken. Ook het feit dat het college in reactie op de aanvraag bij e-mail van 1 februari 2022 heeft verzocht om een schriftelijke toestemming van de eigenaar van de boom over te leggen, betekent niet dat het aannemelijk was dat de eigenaar van de boom geen toestemming zou geven. Pas in de bezwaarfase heeft [verhuurder] schriftelijk toestemming voor het kappen van de boom geweigerd. Het primaire besluit is dan ook niet herroepen wegens een aan het college te wijten onrechtmatigheid.
7. Dit betekent dat het college terecht heeft geweigerd de in bezwaar gemaakte
proceskosten te vergoeden. Het beroep is ongegrond. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 april 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Artikel 1:3, eerste lid
Artikel 7:15, tweede lid
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 januari 2023 van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2023:91