Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-06-05
ECLI:NL:RBMNE:2023:2617
Civiel recht
Kort geding
2,715 tokens
Inleiding
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 10495110 \ MV EXPL 23-57
Vonnis in kort geding van 5 juni 2023
in de zaak van
STICHTING DE ALLIANTIE,
te Hilversum,
eisende partij,
hierna te noemen: De Alliantie,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde] B.V. als bewindvoerder van [onderbewindgestelde] te [woonplaats] ,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties van 12 mei 2023;
- de mondelinge behandeling op 22 mei 2023,
- de spreekaantekeningen van De Alliantie.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling waren namens De Alliantie [A] ( [functie 1] ) en [B] ( [functie 2] ) aanwezig. Namens [gedaagde] was [C] aanwezig. [onderbewindgestelde] (hierna: [onderbewindgestelde] ) was niet op de zitting aanwezig. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er op de zitting besproken is.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Geschil
Waar gaat de zaak feitelijk over?
2.1.
Tussen De Alliantie en [D] (de moeder van [onderbewindgestelde] ) heeft vanaf 1974 een huurovereenkomst bestaan voor de woning aan de [adres] in [plaats] (hierna: de woning). Vanaf juni 2018 is [onderbewindgestelde] bij zijn moeder in de woning komen wonen. Daarvoor heeft [onderbewindgestelde] in een zorginstelling gewoond. Op 26 november 2021 heeft [onderbewindgestelde] een verzoek ingediend voor medehuurderschap. De Alliantie heeft dat verzoek afgewezen.
2.2.
De moeder van [onderbewindgestelde] is sinds april 2022 opgenomen in een verzorgingstehuis. De bewindvoerder van de moeder heeft de huurovereenkomst op 1 september 2022 opgezegd. Bij deze opzegging is geen einddatum ingevuld.
2.3.
Na de opzegging zijn er gesprekken geweest tussen De Alliantie, [onderbewindgestelde] , de bewindvoerders van [onderbewindgestelde] en zijn moeder, en hulpverlening. In de gesprekken is opnieuw gesproken over het verzoek van [onderbewindgestelde] om de huurovereenkomst te mogen voortzetten. De Alliantie heeft het verzoek van [onderbewindgestelde] opnieuw afgewezen, omdat [onderbewindgestelde] en zijn moeder geen duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gehad (artikel 7:267 BW). De Alliantie heeft aangeboden dat [onderbewindgestelde] de woning tot 1 december 2022 kon blijven gebruiken. Vervolgens is de datum voor oplevering uitgesteld tot 1 april 2023. De afspraken over het gebruik van de woning zijn in de vaststellingsovereenkomst van 19 oktober 2022 vastgelegd.
2.4.
[onderbewindgestelde] woont nu nog steeds in de woning.
Wat willen partijen en waarom?
2.5.
De Alliantie wil dat [onderbewindgestelde] de woning ontruimt. De huurovereenkomst met de moeder van [onderbewindgestelde] is geëindigd en [onderbewindgestelde] komt niet in aanmerking voor voortzetting van de huur. De Alliantie heeft maatwerk geleverd door [onderbewindgestelde] nog zes maanden na de opzegging van 1 september 2022 in de woning te laten wonen. In de vaststellingsovereenkomst was afgesproken dat [onderbewindgestelde] de woning uiterlijk op 1 april 2023 zou opleveren. [onderbewindgestelde] woont sindsdien zonder recht of titel in de woning. De Alliantie wil de woning zo snel mogelijk kunnen verhuren aan een kandidaat van de wachtlijst.
2.6.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] wil dat [onderbewindgestelde] in de woning kan blijven wonen totdat hij een andere woning heeft gevonden. [onderbewindgestelde] is op zoek naar een andere woning in [plaats] , maar dat is nog niet gelukt. [onderbewindgestelde] wil in de buurt van zijn moeder blijven wonen. De aanvraag voor een urgentieverklaring is afgewezen. Hiertegen is [onderbewindgestelde] in beroep gegaan. De beroepsprocedure loopt nog en kan twaalf weken duren. [onderbewindgestelde] wil dat de beroepsprocedure wordt afgewacht.
Beoordeling
Spoedeisend belang
3.1.
Het spoedeisend belang blijkt uit de aard van de vordering.
Ontruiming van de woning
3.2.
[gedaagde] heeft op de zitting verklaard dat er geen procedure zal worden gestart over voortzetting van de huurovereenkomst door [onderbewindgestelde] . [gedaagde] voert verder ook geen verweer tegen de stelling van De Alliantie dat [onderbewindgestelde] zonder recht of titel in de woning verblijft. Zodoende staat vast dat [onderbewindgestelde] de woning onrechtmatig gebruikt. De gevorderde veroordeling tot ontruiming is daarom toewijsbaar.
3.3.
In de dagvaarding heeft De Alliantie gevorderd om de ontruimingstermijn te bepalen op 7 dagen na betekening van het vonnis.
3.4.
Het verweer van [gedaagde] komt erop neer dat [gedaagde] om uitstel van de ontruiming vraagt. [gedaagde] wil een langere ontruimingstermijn, in afwachting van de beroepsprocedure over de urgentieverklaring. [gedaagde] doet een beroep doet op de menselijke maat. [gedaagde] voert aan dat [onderbewindgestelde] het op dit moment niet aankan om te verhuizen. [onderbewindgestelde] heeft ook nog geen andere woning kunnen vinden. In verband met de psychische omstandigheden van [onderbewindgestelde] moet voorkomen worden dat hij op straat belandt.
3.5.
De Alliantie heeft op de zitting verklaard dat zij de woning uiterlijk op 1 augustus 2023 opgeleverd wil zien. In samenhang met de persoonlijke omstandigheden van [onderbewindgestelde] (onder 3.4), zal de kantonrechter de ontruimingstermijn bepalen op 8 weken na de datum van dit vonnis. Dat betekent dat de woning uiterlijk op 31 juli 2023 ontruimd moet zijn en aan De Alliantie moet zijn opgeleverd. Daarmee moet in de belangenafweging naar het oordeel van de kantonrechter in voldoende mate aan de belangen van [onderbewindgestelde] geacht te worden te zijn tegemoetgekomen.
3.6.
Tot aan de ontruiming moet [gedaagde] een gebruiksvergoeding aan De Alliantie betalen ter hoogte van de huur van de woning (€ 598,92 per maand).
Uitvoerbaarheid bij voorraad
3.7.
De Alliantie vordert dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat De Alliantie het vonnis direct kan (laten) uitvoeren, als [gedaagde] en [onderbewindgestelde] niet aan het vonnis (waaronder de veroordeling tot ontruiming) voldoen. [gedaagde] en [onderbewindgestelde] kunnen dus niet wachten met voldoen aan het vonnis in de periode dat tegen het vonnis nog hoger beroep mogelijk is of als hoger beroep wordt ingesteld en nog niet op dat hoger beroep is beslist. Of het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard, moet worden beoordeeld door een afweging van de belangen van partijen.
3.8.
De Alliantie voert aan dat zij gehouden is om toe te zien op een eerlijke woningverdeling en het tegengaan van onrechtmatig gebruik van woningen. Er is een grote schaarste aan betaalbare (sociale) huurwoningen. De Alliantie wil de woning zo snel mogelijk aan een kandidaat van de wachtlijst kunnen verhuren. Daar tegenover staat het belang van [onderbewindgestelde] , die nog geen andere plek heeft om te wonen.
3.9.
Het belang van [onderbewindgestelde] is al bij de vaststelling van de ontruimingstermijn betrokken. [gedaagde] heeft geen andere belangen naar voren gebracht die tot afwijzing van de uitvoerbaarheid bij voorraad zouden moeten leiden. De kantonrechter is van oordeel dat de belangen van De Alliantie om direct tot uitvoering van het vonnis te kunnen overgaan zwaarder wegen dan het belang van [onderbewindgestelde] en [gedaagde] om de uitkomst van een eventueel hoger beroep af te wachten. Daarom zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
Proceskosten
3.10.
[gedaagde] is de partij die ongelijk krijgt en zij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van De Alliantie als volgt vastgesteld:
- kosten van de dagvaarding
€
133,13
- griffierecht
€
322,00
- salaris gemachtigde
€
529,00
+
Totaal
€
984,13
Dictum
De kantonrechter, rechtdoende in kort geding,
4.1.
veroordeelt [gedaagde] , als bewindvoerder van [onderbewindgestelde] , en [onderbewindgestelde] om na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] in [plaats] uiterlijk op 31 juli 2023 te (doen) ontruimen en te verlaten met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van De Alliantie zijn, en de sleutels af te geven aan De Alliantie,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] , als bewindvoerder van [onderbewindgestelde] , tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 598,92 per maand vanaf 1 mei 2023 tot en met het einde van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] , als bewindvoerder van [onderbewindgestelde] , in de proceskosten, aan de zijde van De Alliantie tot dit vonnis vastgesteld op € 984,13,
4.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2023.
PM/45352