Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-05-22
ECLI:NL:RBMNE:2023:2571
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,339 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 21/5033 en UTR 21/5109
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2023 in de zaak tussen
[A] veronderstellenderwijs handelend namens [eiser], te [woonplaats] , eiser,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Amersfoort, verweerder
(gemachtigde: M.C.M. van Roon).
Procesverloop
Met de beschikking van 27 februari 2020 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waardes van [object 1] (UTR 21/5033) en [object 2] (UTR 21/5109) in [plaats] voor het belastingjaar 2021 vastgesteld naar de waardepeildatum 1 januari 2020.
De heffingsambtenaar heeft bij deze beschikking aan eiser als eigenaar van de onroerende zaken ook aanslagen onroerendezaakbelasting en aanslagen rioolheffing opgelegd, waarbij deze waarden als heffingsmaatstaf zijn gehanteerd.
Eiser is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 10 december 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard, de WOZ-beschikking voor het object [object 3] vernietigd en de WOZ-waarde van [object 2] gehandhaafd.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op de digitale zitting van 22 mei 2023. [A] was daarbij aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, M.C.M. van Roon, vergezeld door [taxateur] (taxateur).
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan, waarbij is gewezen op de mogelijkheid om daartegen in hoger beroep te gaan.
Overwegingen
1. Het beroep is ingesteld door [A] .
2. De rechtbank heeft bij brieven van 21 december 2021 en 28 januari 2022 [A] bericht dat het beroep niet voldoet aan de gestelde voorwaarden. De rechtbank heeft hem daarom in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken een schriftelijke machtiging waaruit blijkt dat deze machtiging zich uitstrekt tot het verrichten van proceshandelingen en het aanwenden van rechtsmiddelen alsnog toe te sturen.
3. In deze brieven is nadrukkelijk vermeld dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren, indien het geconstateerde verzuim niet tijdig wordt hersteld.
4. [A] heeft bij brief van 28 februari 2022 gereageerd op de brieven van 21 december 2021 en 28 januari 2022 en heeft een ondertekende volmacht van 1 mei 2021 overgelegd. In deze volmacht machtigt [B] [A] om (onder meer) beroep in te stellen.
5. De rechtbank heeft bij brief van 22 maart 2022 [A] bericht dat het beroep niet voldoet aan de gestelde voorwaarden. De rechtbank heeft hem daarom in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken een schriftelijke machtiging te overleggen waaruit blijkt dat deze machtiging zich uitstrekt tot het verrichten van proceshandelingen en het aanwenden van rechtsmiddelen.
6. Ook in deze brief is nadrukkelijk vermeld dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren, indien het geconstateerde verzuim niet tijdig wordt hersteld.
7. [A] heeft bij brief van 19 april 2022 gereageerd op de brief van 22 maart 2022 en heeft een ondertekende volmacht van “april/mei 2022” overgelegd. In deze volmacht machtigt [C] [A] om (onder meer) beroep in te stellen.
8. De rechtbank kan met de volmachten niet vaststellen dat [A] bevoegd is om namens eiser ( [eiser] ) beroep in te stellen. [A] heeft met de brieven van 28 februari 2022 en 19 april 2022 de door de rechtbank gevraagde – maar onherleidbare – stukken toegestuurd, kort na de brieven van de rechtbank. Met de brieven van 21 december 2021, 28 januari 2022 en 22 maart 2022 is [A] in de gelegenheid is gesteld het geconstateerde verzuim te herstellen in de zin van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht.
9. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank komt dus niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
10. [A] heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure over de belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat [eiser] beroep wenste in te stellen en een procedure wilde starten. Om die reden kan ook niet worden vastgesteld dat [eiser] immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van A. Kasi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop het proces-verbaal van deze uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Dit proces-verbaal is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.