Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-05-11
ECLI:NL:RBMNE:2023:2275
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,137 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/182
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Bakker),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] (de heffingsambtenaar), verweerder
(gemachtigde: B.A. Schras).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de hoogte van de WOZ-waarde van de woning aan de [adres 1] in [woonplaats] (de woning).
De heffingsambtenaar heeft met de beschikking van 31 maart 2022 op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de WOZ-waarde van de woning vastgesteld op € 269.000,-. De waarde is vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2021 en geldt voor het kalenderjaar 2022. De heffingsambtenaar heeft bij deze beschikking aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelastingen en een aanslag watersysteemheffing opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
Met de uitspraak op bezwaar van 29 november 2022 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser tegen de beschikking van 31 maart 2022 ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift en een taxatiematrix ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 4 april 2023 op een online zitting behandeld. Namens eiser was zijn gemachtigde aanwezig. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door taxateur [A] .
Geschil
1. Eiser is eigenaar van de woning. De woning is een in 1896 gebouwde hoekwoning met een berging. De woning heeft een oppervlakte van 83 m² en een kaveloppervlakte van 77 m².
2. Partijen zijn het niet eens over de waarde van de woning. Volgens eiser is de waarde te hoog vastgesteld en kan de waarde niet hoger zijn dan € 233.000,-. Daarnaast heeft eiser gesteld dat de heffingsambtenaar in strijd met de wet niet alle stukken aan hem heeft gestuurd en dat niet inzichtelijk is gemaakt hoe de verkoopcijfers zijn geïndexeerd. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep de vastgestelde waarde van € 269.000,-.
Beoordeling
3. De rechtbank zal eerst de formele punten bespreken.
De op de zaak betrekking hebbende stukken
4. Eiser voert aan dat de heffingsambtenaar geweigerd heeft om de matrix met grondstaffel te verstrekken, terwijl om deze stukken wel is verzocht in bezwaar. Volgens eiser had de heffingsambtenaar die stukken op grond van het arrest van de Hoge Raad van 17 augustus 2018 (Black Box-arrest) moeten verstrekken. Eiser vindt dat hij hierdoor is benadeeld, omdat hij pas nadere standpunten kan innemen nadat die stukken zijn overgelegd. Hij verwijst hiervoor ook naar een kamerstuk, artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 april 2013, artikel 7:4 van de Awb, artikel 40 van de Wet WOZ en de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 1 maart 2022.
5. In het Black Box-arrest is geoordeeld dat als een belanghebbende de juistheid van gebruikte gegevens en aannames wil controleren en zo nodig gemotiveerd wil betwisten, het bestuursorgaan zorg moet dragen voor de inzichtelijkheid en controleerbaarheid van deze gegevens.
6. De heffingsambtenaar stelt dat geen sprake is van een weigering om stukken te verstrekken, omdat alle gevraagde stukken in bezwaar zijn overgelegd aan de vorige gemachtigde van eiser van het bureau Eerlijke WOZ B.V. De rechtbank volgt de heffingsambtenaar hierin. Uit het bezwaarschrift blijkt dat de vorige gemachtigde onder meer heeft gevraagd om een taxatiematrix met de gehanteerde grondstaffels en de VOLK/KOUDV-factoren. De heffingsambtenaar heeft aan dit verzoek voldaan. Uit de uitspraak op bezwaar blijkt dat voorafgaand aan de hoorzitting aan de vorige gemachtigde een matrix is toegezonden met de onderbouwende referentiewoningen, de grondstaffel van de woning en van de referentiewoningen, de objectkenmerken met onderdeel waarde en de KOUDVL-factoren met correctiepercentages. Ook is een verantwoordingsdocument toegezonden met daarin uitleg over de indexering, grondstaffel, KOUDVL-factoren, correctie grootte en reserves. Dit document is door de heffingsambtenaar ook in beroep overgelegd. Op de zitting heeft de huidige gemachtigde van eiser ook bevestigd dat de vorige gemachtigde deze stukken aan hem heeft doorgestuurd. Van een weigering om stukken te verstrekken is naar het oordeel van de rechtbank dus geen sprake.
7. Daarnaast blijkt uit het verslag van de hoorzitting dat de vorige gemachtigde op die zitting niet heeft aangevoerd dat hij nog informatie miste door het niet toesturen van gevraagde stukken of andere stukken. De rechtbank gaat er dus vanuit dat eiser kennelijk geen behoefte meer had aan deze stukken. De rechtbank vindt dan ook dat eiser hiermee zijn grond heeft prijsgegeven. Het opnieuw aanvoeren van deze grond in beroep is in strijd met een goede procesorde. De rechtbank verwijst verder de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank op dit punt.
8. Eiser voert verder aan dat de heffingsambtenaar de bouwtekeningen en de volledige iWOZ-kaarten van de referentiewoningen ten onrechte niet heeft overgelegd. Volgens eiser had de heffingsambtenaar dat op grond van artikel 8:42 van de Awb moeten doen. Eiser verwijst hiervoor naar het arrest van de Hoge Raad van 4 mei 2018. Op basis van de iWOZ-kaarten hadden volgens eiser ook de KOUDV-factoren en de objectkenmerken van de referentiewoningen kunnen worden onderbouwd. In de uitspraak op bezwaar zijn deze gegevens volgens eiser op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt. Daarom bestrijdt eiser bij gebrek aan wetenschap dat de inhoud en objectkenmerken van de referentiewoningen juist zijn.
9. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser in de bezwaarfase niet heeft gevraagd om toezending van de bouwtekeningen. Verder heeft de heffingsambtenaar op de zitting toegelicht dat op de gemeentelijke website voor alle woningen in de gemeente digitale bouwtekeningen zijn te raadplegen. Daarmee zijn deze gegevens openbaar. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat er voldoende inzicht wordt gegeven in de bouwtekeningen. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de gemachtigde van eiser over de bouwtekeningen beschikt dan wel had kunnen beschikken. De heffingsambtenaar heeft verder toegelicht dat wanneer de gemachtigde van eiser vindt dat de gegevens van de (in bezwaar) gehanteerde referentiewoningen onvoldoende inzichtelijk zijn, dit in bezwaar dan wel tijdens de hoorzitting kenbaar moet worden gemaakt. Dit is niet gebeurd. De rechtbank volgt de heffingsambtenaar hierin. De beroepsgrond slaagt niet.
10. Wat betreft de iWOZ-kaarten, overweegt de rechtbank dat iWOZ een door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) samengestelde verzameling is van objectgegevens en foto’s van te koop aangeboden woningen in Nederland. Die gegevens van de VNG behoren in beginsel niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken en hoeven dus in principe niet verstrekt te worden. Dat is alleen anders als de heffingsambtenaar in deze zaak gebruik heeft gemaakt van deze informatie. In die situatie behoren de stukken tot de stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. De heffingsambtenaar heeft op de zitting aangegeven dat hij dat niet heeft gedaan. Volgens de heffingsambtenaar is de inhoud en de oppervlakte van alle woningen in de gemeente de afgelopen drie jaar opgemeten met digitale metingen, bouwtekeningen of opnames ter plaatse. Gelet hierop ziet de rechtbank niet in waarom getwijfeld moet worden over de door de heffingsambtenaar gehanteerde oppervlakte van de referentiewoningen. Eiser heeft zijn stelling verder ook niet onderbouwd.
De indexering
11. Eiser stelt dat de heffingsambtenaar op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt hoe de verkoopcijfers zijn geïndexeerd. Eiser verwijst hiervoor naar de uitspraak van deze rechtbank van 4 januari 2022 en naar het Black Box-arrest.
12. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Zoals hiervoor ook is overwogen heeft de heffingsambtenaar voorafgaand aan de hoorzitting aan de vorige gemachtigde van eiser het verantwoordingsdocument overgelegd waarin de indexeringspercentages per type woning in de gemeente [gemeente] zijn opgenomen. Deze analyse is gebaseerd op woningen die voor en na de waardepeildatum zijn verkocht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar daarmee voldoende inzicht geboden in de door hem gebruikte indexeringspercentages. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de door de heffingsambtenaar gehanteerde indexeringspercentages van de referentiewoningen. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser niet heeft gesteld wat er onjuist zou zijn aan de gehanteerde indexeringspercentages die in de taxatiematrix in beroep zijn opgenomen.
13. De rechtbank zal nu overgaan de inhoudelijke beroepsgronden tegen de voor de woning vastgestelde WOZ-waarde bespreken.
De WOZ-waarde van de woning
14. Op de heffingsambtenaar rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde van de woning op de waardepeildatum (1 januari 2021) niet hoger is vastgesteld dan de waarde in het economisch verkeer. De waarde in het economisch verkeer is de prijs die zou zijn betaald door de meest biedende koper als de woning op de meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding te koop is aangeboden.
15. De waarde wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet de heffingsambtenaar inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank ook meewegen wat eiser over de vastgestelde waarde heeft aangevoerd.
16.
Conclusie
21. De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar met de taxatiematrix en de toelichting die daarop ter zitting is gegeven aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Azmi, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:HR:2018:1316, r.o. 2.3.3.
Kamerstuk 21221, nr. 3, Tweede Kamer der Staten-Generaal (pagina 136).
ECLI:NL:RVS:2013:BZ7568, r.o. 5.1.
ECLI:NL:GHAMS:2022:721, r.o. 6.
Zie het rapport ‘Uitgangspunten WOZ-Taxatie waardepeildatum 2021’.
De uitspraak van 5 juli 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2890, r.o. 14.
ECLI:NL:HR:2018:672, r.o. 3.4.1 en deel van r.o. 3.4.2.
ECLI:NL:GHAMS:2022:310, r.o. 13 , bevestigd door de Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:1526.
ECLI:NL:RBMNE:2022:14, r.o. 12.