Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-05-11
ECLI:NL:RBMNE:2023:2238
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,191 tokens
Dictum
in de zaak van:
[veroordeelde] ,
geboren op [1977] te [geboorteplaats] ( Marokko ),
wonende aan de [adres] , [woonplaats] ,
hierna te noemen: de veroordeelde.
Feiten
Bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 22 september 2020 is aan de veroordeelde opgelegd een gevangenisstraf van 169 dagen waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met als bijzondere voorwaarden, onder meer, dat de veroordeelde:
- zich laat behandelen voor zijn posttraumatische stresstoornis en andere psychische problemen bij [forensisch fact], het forensisch FACT voor licht verstandelijk beperkten of een andere forensische ambulante zorgaanbieder, te bepalen door de reclassering. De begeleiding duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen van de zorgverlener en -instelling. Bij een terugval in middelen-gebruik of overmatig middelengebruik kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende klinische opname voor detoxificatie of stabilisatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De kortdurende klinische opname duurt maximaal zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
Procesverloop
De officier van justitie heeft een vordering ingediend die strekt tot een kortdurende klinische opname van de veroordeelde in een zorginstelling voor de duur van maximaal 7 weken. Deze vordering is op 17 april 2023 op de griffie van deze rechtbank ontvangen.
De politierechter heeft de vordering op de openbare zitting van 11 mei 2023 behandeld. De politierechter heeft de veroordeelde, J.P.W. Nijboer, advocaat in Utrecht, waarnemend voor mr. M.J. Lamers, en de officier van justitie op de zitting gehoord.
3De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op basis van wat er op de zitting is besproken haar vordering herhaald. De officier van justitie heeft voor de onderbouwing van haar standpunt verwezen naar het advies van de reclassering en de uitslagen van de urinecontroles.
Verder heeft zij verteld dat zij op 10 mei 2023 heeft gebeld met de reclasseringswerker, S. Allali. Die vertelde haar dat het na het versturen van het advies niet goed ging met veroordeelde en dat hij enkele weken opgenomen is geweest bij [forensisch fact] in [woonplaats]. Dit was niet in het kader van de bijzondere voorwaarden opgelegd in het vonnis van 22 september 2020. De officier van justitie heeft benadrukt dat de reclassering nog steeds vindt dat veroordeelde klinisch moet worden behandeld voor zijn verslavingsproblemen.
De officier van justitie heeft tot slot gezegd dat er een indicatiestelling is en dat de veroordeelde op 17 mei 2023, om 10.00 uur opgenomen kan worden in de [kliniek] .
4Het standpunt van de verdediging
De veroordeelde en zijn raadsman hebben verzocht de vordering van de officier van justitie af te wijzen. De veroordeelde vindt zichzelf niet verslaafd en heeft goed contact met de reclassering. De veroordeelde gebruikt weleens alcohol of drugs maar doet dat niet thuis bij zijn vrouw en kinderen. Zijn urinecontroles waren bijna allemaal negatief in het afgelopen jaar. De veroordeelde heeft niet meegewerkt aan praatsessies bij een vooroverwegingsgroep, omdat het praten over middelen hem juist aanzet tot gebruik daarvan. De opname bij [forensisch fact] kwam doordat de veroordeelde na lange tijd weer alcohol gebruikte en dat niet goed samenging met zijn ADHD.
De raadsman van de veroordeelde heeft gezegd dat niet gebleken is dat het noodzakelijk is dat de veroordeelde wordt opgenomen in een kliniek. De informatie van de reclassering is verouderd en gebrekkig. Tussen het advies en de zitting zit behoorlijk wat tijd en de urgentie van de geadviseerde opname is daarmee verdampt. De opname van de veroordeelde in [forensisch fact] kan daarnaast worden gezien als een alternatief voor de klinische opname en dat betekent dat de veroordeelde al is behandeld. Als de politierechter de vordering niet afwijst, dan verzoekt de raadsman om de behandeling van de vordering aan te houden. Op een volgende zitting zou de reclassering moeten uitleggen of een klinische behandeling nog wel nodig is.
5Het standpunt van de reclassering
Het standpunt van de reclassering komt er - samengevat - op neer dat de veroordeelde kortdurend klinisch moet worden opgenomen. De reden hiervoor is dat de veroordeelde is teruggevallen in middelengebruik en de terugval niet meer ambulant te behandelen is. Het recidiverisico wordt ingeschat op gemiddeld-hoog.
Beoordeling
Met instemming van de officier van justitie en de raadsman begrijpt de politierechter de vordering van de officier van justitie als een vordering tot wijziging van de aan de veroordeelde opgelegde bijzondere voorwaarden als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Wetboek van Strafrecht.
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft in het vonnis van 22 september 2020 beslist dat de veroordeelde ambulant moet worden behandeld voor zijn psychische problemen. Op die manier zou het recidiverisico kunnen worden teruggedrongen. De rechtbank heeft daarbij beslist dat de veroordeelde bij een terugval in middelengebruik of overmatig middelengebruik kortdurend kan worden opgenomen voor detoxificatie of stabilisatie.
De Hoge Raad heeft op 12 juli 2022 in zijn arrest onder ECLI:NL:HR:2022:1027 nog eens herhaald dat wanneer als bijzondere voorwaarde bij een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt gesteld dat een veroordeelde zich laat opnemen in een zorginstelling op grond van artikel 14c lid 2, aanhef en onder 10° van het Wetboek van Strafrecht, de beslissing of zich de noodzaak voordoet van opneming en voor welke duur, is voorbehouden aan de rechter.
De politierechter gaat er op basis van de informatie uit het advies van de reclassering en het overzicht van urinecontroles in 2021, 2022 en 2023 van uit dat de veroordeelde is teruggevallen in middelengebruik. Daardoor is het ook misgegaan. In het advies staat dat het middelengebruik heeft geleid tot een onrustige thuissituatie in december 2022 en op 13 maart 2023. Uit wat er is besproken op de zitting leidt de politierechter af dat het middelengebruik van veroordeelde in maart 2023 heeft geleid tot een psychose waarvoor veroordeelde, op basis van een voorlopige crisismachtiging, opgenomen is geweest bij [forensisch fact] in Utrecht.
Hoewel de politierechter het met de raadsman van veroordeelde eens is dat het advies van de reclassering al wat ouder is, heeft zij aan de informatie die op de zitting bekend is geworden, voldoende om een beslissing te kunnen nemen. De politierechter is duidelijk dat veroordeelde zijn verslavingsproblemen nog niet zijn verholpen. De crisisopname in [forensisch fact] vond plaats vanwege de gevolgen van de door middelen getriggerde psychose bij verdachte, maar niet om veroordeelde te behandelen voor de onderliggende verslavingsproblematiek. Daarom vindt de politierechter een kortdurende klinische opname van veroordeelde in een zorginstelling noodzakelijk. Het verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak wordt afgewezen.
Dictum
De politierechter:
wijst af het verzoek om schorsing van het onderzoek op de terechtzitting; en
wijzigt de bijzondere voorwaarden in die zin dat de bijzondere voorwaarde met betrekking tot het volgen van een ambulante behandeling wordt aangevuld met het volgende:- dat de veroordeelde zich - in het kader van de opgelegde ambulante behandel-verplichting en de daarin genoemde mogelijkheid van een kortdurende klinische opname – maximaal voor 7 weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, onverwijld laat opnemen in de [kliniek] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De veroordeelde is verplicht zich onder behandeling te stellen van deze zorginstelling. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling.
Deze beslissing is gegeven door mr. L.M.M. Heppe, politierechter, in tegenwoordigheid van H. van Veenschoten, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2023.