Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2022-05-23
ECLI:NL:RBMNE:2022:2038
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,045 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBMNE:2022:2038 text/xml public 2026-02-05T12:52:31 2022-05-30 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2022-05-23 UTR 21/270, UTR 21/271, UTR 21/404 en UTR 21/405 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Belastingrecht Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2024:1504, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2022:2038 text/html public 2026-02-05T12:44:49 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2022:2038 Rechtbank Midden-Nederland , 23-05-2022 / UTR 21/270, UTR 21/271, UTR 21/404 en UTR 21/405 Wet WOZ, diverse woningen, standaard, toekenning verzoek immateriele schadevergoeding, beroep ongegrond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: UTR 21/270, UTR 21/271, UTR 21/404 en UTR 21/405 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 mei 2022 in de zaak tussen [eiser] , te [plaats] , eiser, (gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE), en de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder (gemachtigde: B.A. Schras). Procesverloop In de beschikking van 29 februari 2020 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waardes van diverse woningen in [plaats] voor het belastingjaar 2020 naar de waardepeildatum 1 januari 2019, als volgt vastgesteld: Zaaknummer Object Vastgestelde waarde in euro’s UTR 21/270 [adres 1] € 115.000,- UTR 21/271 [adres 2] € 101.000,- UTR 21/404 [adres 3] € 136.000,- UTR 21/405 [adres 4] € 1.513.000,- Verweerder heeft bij deze beschikking aan eiser als eigenaar van de objecten ook een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd, waarbij deze waarden als heffingsmaatstaf zijn gehanteerd. In de uitspraak op bezwaar van 10 december 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift met taxatiematrices ingediend. De zaak is behandeld op de digitale zitting van 28 februari 2022. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [taxateur] , taxateur. Overwegingen Inleiding 1. De gemachtigde van eiser heeft een algemeen geformuleerd beroepschrift en meerdere, ook algemeen geformuleerde, brieven ter aanvulling daarop ingediend. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser de specifieke gronden die in deze zaak aan de orde zijn toegelicht. De rechtbank zal het beroep dan ook beoordelen aan de hand van de op de zitting ingenomen standpunten. Het geschil over de woning [adres 2] 2. Eiser heeft het beroep met betrekking tot de woning [adres 2] op de zitting ingetrokken. Het beroep met betrekking tot deze woning hoeft dan ook niet te worden besproken. Het geschil over de woning [adres 1] en [adres 3] 3. Verweerder heeft de waardes van deze woningen onderbouwd aan de hand van de eigen aankoopcijfers van de woningen. De rechtbank overweegt dat in het geval een belanghebbende een woning heeft gekocht kort vóór of na de waardepeildatum, in de regel ervan moet worden uitgegaan dat de waarde overeenkomt met de door de belanghebbende betaalde prijs. Aangezien eiser de woning [adres 1] heeft aangekocht op 24 december 2018 en de woning [adres 3] op 18 oktober 2019, stelt de rechtbank vast dat de woningen niet te ver van de waardepeildatum door eiser is aangekocht. Er is verder niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgeweken van de gerealiseerde eigen verkoopcijfers. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder de waardes van de afzonderlijke objecten niet te hoog heeft vastgesteld. Wat eiser in beroep aanvoert, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Akte van levering 4. Eiser stelt dat verweerder geen aktes van levering van de woningen heeft overlegd. De rechtbank constateert dat eiser dit standpunt pas op de zitting heeft ingenomen. Zij vindt dat het aanvoeren van deze beroepsgrond in dit stadium van de procedure in strijd is met de goede procesorde. De rechtbank laat deze beroepsgrond dus buiten beschouwing. Het geschil over de woning [adres 4] 5. Verweerder heeft om de waarden van de woning [adres 4] te onderbouwen, gebruik gemaakt van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat hij de waarden van deze woningen niet te hoog heeft vastgesteld. Wat eiser in beroep aanvoert, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De KOUDV-factoren 6. Eiser stelt dat de factoren kwaliteit, onderhoud, uitstraling, doelmatigheid en voorzieningen (‘KOUDV-factoren’) op ‘2’ gewaardeerd moet worden. Uit de matrix blijkt dat verweerder uit is gegaan van de waardering ‘3’. Eiser onderbouwt niet waarom de KOUDV-factoren slechter gewaardeerd moeten worden. De rechtbank is van oordeel dat de niet nader onderbouwde stelling van eiser onvoldoende is om hieraan te twijfelen. De beroepsgrond slaagt niet. De door verweerder gehanteerde referentiewoning [referentiewoning 1] 7. Eiser stelt dat de door verweerder gehanteerde referentiewoning [referentiewoning 1] onvoldoende vergelijkbaar is met de woning, omdat het ten tijde van de verkoop slechtere KOUDV-factoren had, dan verweerder op de taxatiematrix heeft aangegeven. Volgens eiser is deze woning namelijk niet verbouwd. Verweerder betwist dit. Volgens verweerder was het ten tijde van de verkoop een net uitziende woning. De rechtbank is van oordeel dat de niet nader onderbouwde stelling van eiser onvoldoende is om hieraan te twijfelen. De beroepsgrond slaagt niet. De door verweerder gehanteerde referentiewoning [referentiewoning 2] 8. Eiser stelt dat voor de woning dezelfde m2-prijs (€ 766,-) moet worden gehanteerd welke is gehanteerd bij [referentiewoning 2] . Verweerder heeft op de zitting hierover uitgelegd dat het gewogen gemiddelde van de drie gehanteerde m2-prijzen van de referentiewoningen is gebruikt. Alle drie referentiewoningen dienen dus als uitgangspunt en niet alleen de referentiewoning met de laagste m2-prijs. De rechtbank kan het standpunt van verweerder volgen. Daarbij komt dat de door verweerder gehanteerde m2-prijs van € 789,- voor de woning onder de gemiddelde m2prijs ligt van de drie gehanteerde referentiewoningen (€ 889,-). De beroepsgrond slaagt niet. Verzoek om immateriële schadevergoeding 9. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) voor de behandeling van zijn bezwaar en beroep. 10. De rechtbank beoordeelt het verzoek aan de hand van het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. Uitgangspunt is dat de behandeling door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn is geweest, als de uitspraak niet binnen twee jaar na de ontvangst van het bezwaarschrift is gedaan. De redelijke termijn die staat voor de behandeling van bezwaar en beroep is als uitgangspunt 24 maanden, waarvan 6 maanden voor bezwaar en 18 maanden voor beroep. Er kunnen bijzondere omstandigheden zijn om daarvan af te wijken. Als de redelijke termijn is overschreden, wordt verondersteld dat eiseres immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Voor de hoogte van de schadevergoeding is een tarief van € 500,- per half jaar waarmee de termijn is overschreden, naar boven afgerond. 11. De rechtbank stelt vast dat er vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van eiser op 19 maart 2020 tot deze uitspraak, ruim twee jaar en twee maanden zijn verstreken zodat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn met twee maanden. Eiser heeft daarmee recht op een vergoeding van immateriële schade van € 500,-. De bezwaarprocedure heeft – gerekend vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift – ruim 8 maanden geduurd. Dit is langer dan de termijn van 6 maanden die geldt voor verweerder.