Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2022-04-05
ECLI:NL:RBMNE:2022:1286
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,407 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/3644
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 april 2022 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. K. Aslan),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. R.M.H. Rokebrand).
Procesverloop
In het besluit van 7 december 2020 heeft verweerder de aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 27 april 2020 afgewezen, omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
In het besluit van 16 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 28 februari 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Feiten
1. Eiseres werkte als allround kapster voor gemiddeld 37,93 uur per week. Op 1 mei 2017 heeft eiseres zich ziekgemeld wegens fysieke klachten. Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd heeft eiseres de aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend. Verweerder heeft de (voormalig) werkgever een loonsanctie opgelegd tot 27 april 2020, omdat niet is voldaan aan de re-integratieverplichtingen. Verweerder heeft daarna de aanvraag afgewezen, omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is. In het bestreden besluit heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de functionele mogelijkhedenlijst (FML) en de arbeidskundige bezwaar en beroep geduide functies aangepast. Het percentage van arbeidsongeschiktheid is gestegen, maar blijft onder de 35%. Aan de besluiten liggen verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten ten grondslag.
Beoordeling
2. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) mag het Uwv besluiten over iemands arbeidsongeschiktheid baseren op rapporten van verzekeringsartsen. Die rapporten moeten dan wel aan de volgende drie voorwaarden voldoen. De rapporten:
1. zijn op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen;
2. bevatten geen tegenstrijdigheden;
3. zijn voldoende begrijpelijk.
De rapporten en de besluiten die daarop gebaseerd zijn, zijn in beroep wel aanvechtbaar. Het is echter aan de eisende partij om aan te voeren - en zo nodig aannemelijk te maken - dat de rapporten niet aan de drie genoemde voorwaarden voldoen of dat de medische beoordeling onjuist is. Voor het aannemelijk maken dat een medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts of medisch behandelaar noodzakelijk. Dit brengt mee dat de manier waarop iemand zelf zijn gezondheidsklachten ervaart, geen toereikende grondslag vormt voor het aannemen van een hogere mate van arbeidsongeschiktheid.
Beoordeling
3. Eiseres voert aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 24 juni 2021 ten onrechte is uitgegaan van de onderzoeksbevindingen van de hoorzitting d.d. 26 mei 2021 in plaats van eiseres medische situatie ten tijde van de datum in geding (27 april 2020).
4. Uit het rapport van 24 juni 2021 volgt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep er van bewust is dat het onderzoek een jaar na de datum in geding plaatsvindt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarom nadrukkelijk de onderzoeksgegevens van de primaire verzekeringsarts bij haar beoordeling betrokken. Gebeurtenissen die na de datum in geding hebben plaatsgevonden heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet in de beoordeling betrokken. De rechtbank ziet in het rapport van 24 juni 2021 geen aanknopingspunten dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep is uitgegaan van de medische situatie ten tijde van het onderzoek in mei 2021 in plaats van de datum in geding. De beroepsgrond slaagt niet.
Medische beoordeling
5. Verder voert eiseres aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte beperkingen niet heeft overgenomen uit de beoordeling van de primaire verzekeringsarts. Eiseres meent dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep minder beperkingen heeft aangenomen op basis van het onderzoek dat een jaar na de datum in geding heeft plaatsgevonden.
6. De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inderdaad minder beperkingen heeft aangenomen dan de primaire verzekeringsarts. Dit leidt echter niet tot de conclusie dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep dit ten onrechte heeft gedaan. Zoals overwogen onder 4., heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep haar onderzoekbevindingen gebaseerd op de medische situatie van eiseres ten tijde van de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 24 juni 2021 per beperking zorgvuldig gemotiveerd waarom zij afwijkt van de beoordeling van de primaire verzekeringsarts. De rechtbank kan deze uitleg volgen. De rechtbank wijst er op dat het in de bezwaarfase aan de verzekeringsarts bezwaar en beroep is om opnieuw naar de medische situatie van eiseres ten tijde van de datum in geding te kijken. Dit kan er toe leiden dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep meer of minder beperkingen aanneemt dan de primaire verzekeringsarts. Eiseres heeft tegen de uitleg van de verzekeringsarts bezwaar en beroep waarom bepaalde beperkingen niet zijn overgenomen inhoudelijk niets aangevoerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Depressie en deadlines en productiepieken
7. Eiseres voert aan dat ten onrechte geen beperking is aangenomen voor deadlines en productiepieken. Eiseres wijst op de Basisinformatie CBBS, waaruit volgens eiseres volgt dat een depressie gepaard gaat met een verminderd vermogen om geconfronteerd te worden met het onherroepelijke van een deadline en die adequaat te hanteren. Volgens eiseres maakt deze beperking haar ongeschikt voor de functie textielproductenmaker.
8. In de rapporten van 24 juni 2021 en 11 januari 2022 concludeert de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat een beperking voor deadlines en productiepieken niet aan de orde is. In het beschreven psychische onderzoek ten tijde van de datum in geding en in de hoorzitting van 26 mei 2021 werden geen afwijkingen bij eiseres geconstateerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet daarin aanleiding om af te wijken van de door de GGZ gestelde diagnose.
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd waarom zij afwijkt van de door de GGZ gestelde diagnose depressieve stoornis met matig ernstige tot ernstige klachten. Op pagina acht in het rapport van 24 juni 2021 stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat door de verscheidene inconsistenties in de presentatie en de anamnese er moeilijk een inschatting is te maken van de aard en ernst van de depressieve stoornis. De rechtbank begrijpt niet waarom de verzekeringsarts bezwaar en beroep afwijkt van de beoordeling van de GGZ en concludeert dat er ‘daarom zal worden uitgegaan van lichte tot matig ernstige klachten’, terwijl ze op basis van haar eigen onderzoek stelt dat ze moeilijk een inschatting kan maken van de ernst van de depressieve stoornis. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit motiveringsgebrek te passeren. De geselecteerde functies zouden namelijk niet vervallen als er alsnog een beperking ten aanzien van deadlines en productiepieken zou worden aangenomen vanwege een matig ernstige tot ernstige depressieve stoornis. De geselecteerde functies hebben namelijk geen signalering op die punten. Eiseres is dus niet benadeeld door dit motiveringsgebrek.
Verhoogd persoonlijk risico
10. Eiseres voert aan dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten onrechte de beperkingen ten aanzien van het verhoogd persoonlijk risico heeft afgezwakt. Verder meent eiseres dat zij aanvullend beperkt is vanwege de diabetes mellitus en de medicatie die ze gebruikt. Eiseres wijst op de Basisinformatie CBBS, waarin staat dat het gevaar voor persoonlijk risico onder andere betrekking heeft op verminderde herstelkansen na een verwonding zoals bij diabetes mellitus.
11. De rechtbank overweegt het volgende. De verzekeringsarts bezwaar en beroep legt in het rapport van 11 januari 2022 uit dat de toegekende beperking niet is afgezwakt, maar slechts anders - minder specifiek – is verwoord door het ‘gevaarlijke situaties’ te noemen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep kunnen ‘werken op hoogtes’ en ‘werken op open water’ als gevaarlijke situaties worden gekenmerkt. De verzekeringsarts heeft dus wel degelijk de beperkingen overgenomen die de primaire verzekeringsarts ten aanzien van het verhoogd persoonlijk risico heeft toegekend. De beroepsgrond slaagt niet.
12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding hoeven te zien om vanwege de diabetes mellitus of het medicatiegebruik aanvullende beperkingen aan te nemen voor een verhoogd persoonlijk risico voor het werken met gereedschap of voorwerpen met een verwondingsrisico zoals naalden of mesjes. Uit de uitspraak van 13 maart 2019 van de CRvB volgt dat diabetes mellitus niet automatisch leidt tot een beperking voor het werken met machines of gereedschap. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deugdelijk toegelicht dat eiseres niet kan werken in situaties waarbij er significant letsel kan optreden. Het prikken met een naald of kleine snijwondjes vallen niet onder significant letsel en er kan nauwelijks van herstel worden gesproken. Verder concludeert de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat een dergelijke beperking zich niet verenigd met het feit dat diabetici zichzelf meermaals per dag moeten prikken om de bloedglucosewaarden te bepalen en om insuline te injecteren. De rechtbank vindt deze conclusie niet onbegrijpelijk. De beroepsgrond slaagt niet.
Duurbeperking en avonddiensten
13. Eiseres voert verder aan dat een duurbeperking én een beperking voor avonddiensten moeten worden toegekend vanwege haar slaapproblemen. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar de brief van 15 december 2020 van GGZ Centraal.
14. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert in de rapporten van 24 juni 2021 en 11 januari 2022 dat er geen medische indicatie is voor een duurbeperking of een beperking voor avonddiensten vanwege slaapproblemen. Eiseres heeft een inadequate slaaphygiëne, omdat ze overdag in het donker zit en frequent veel alcohol drinkt. Ook heeft eiseres een passieve daginvulling en een onregelmatig eetpatroon. Regelmatige werktijden, een actievere daginvulling, minder alcoholgebruik, een regelmatig eetpatroon en blootstelling aan daglicht kunnen (in)direct bijdragen aan een betere slaapkwaliteit. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is ook bij avonddiensten een normaal dag-nachtritme te hanteren.
15.
Conclusie
24. Het Uwv heeft terecht eiseres aanvraag voor een WIA-uitkering afgewezen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het beroep is ongegrond.
25. Omdat het Uwv in beroep de functionele mogelijkhedenlijst heeft gewijzigd en niet voldoende begrijpelijk is gemotiveerd waarom is afgeweken van de diagnose van de behandeld sector, ziet de rechtbank aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van eiseres. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op ( 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 759,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.518,-.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.518,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 5 april 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Zie bijvoorbeeld p. 8 van het rapport van 24 juni 2021.
Op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht.
ECLI:NL:CRVB:2019:810.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 25 maart 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:704.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 27 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:190.
Zie artikel 10, eerste lid, sub b van het Schattingsbesluit.
Zie artikel 2, eerste lid van de Beleidsregel uurloonschatting 2008.
Zie overweging 20.
Zie overweging 9.