Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2021-01-07
ECLI:NL:RBMNE:2021:517
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,607 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/1214Rectificatie p. 3
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. H. Hulshof),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder, verweerder
(gemachtigde: J. Schaafsma).
Inleiding en procesverloop
Overwegingen
Eiser heeft op 7 oktober 2019 bijzondere bijstand gevraagd voor de kosten van bewindvoering en voor de kosten van griffierecht.
Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 25 november 2019 (het primaire besluit). Volgens verweerder was het verzoek om bijzondere bijstand voor de kosten van het griffierecht al bij een eerdere beslissing toegekend. Verweerder heeft de aanvraag voor bijzondere bijstand in verband met de kosten van bewindvoering afgewezen, omdat eiser voldoende draagkracht heeft.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Op l0 februari 2020 is eiser op zijn bezwaar gehoord door de commissie bezwaarschriften Noordoostpolder (de commissie). De commissie heeft op 24 februari 2020 geadviseerd om het bezwaar van eiser ongegrond te verklaren en om het besluit tot afwijzing van de aanvraag voor bijzondere bijstand in stand te laten.
Onder verwijzing naar het advies van de commissie heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard bij besluit van 6 maart 2020 (het bestreden besluit). Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 10 november 2020 via een
video-verbinding. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Standpunten van partijen
1. Ter onderbouwing van het bestreden besluit stelt verweerder zich op het standpunt dat het loongedeelte waarop beslag ligt moet worden meegeteld bij de berekening van de draagkracht van eiser. Volgens verweerder kan eiser immers in juridische zin beschikken over dit loon. Verweerder verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 30 april 2019.
2. Volgens eiser wijkt de casus waarover de CRvB op 30 april 2019 uitspraak heeft gedaan af van zijn situatie. De strekking van die uitspraak is daarom niet één op één van toepassing op zijn geval. Eiser stelt dat de CRvB op 30 april 2019 casuïstisch was. De CRvB heeft niet beoogd om af te wijken van zijn vaste jurisprudentielijn die is ingezet met de uitspraak van 28 maart 2006.
Overwegingen
3. Niet in geschil is dat de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd zich voordoen, dat deze kosten noodzakelijk zijn en dat zij voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. De vraag die voorligt is of verweerder het inkomensdeel waarop beslag ligt buiten beschouwing moet laten bij de berekening van de draagkracht van eiser. Voor de beantwoording van die vraag is het van belang of eiser redelijkerwijs kan beschikken over dat inkomensdeel.
4. Onder "beschikken" verstaat de CRvB: de mogelijkheid voor eiser om zijn bezitting feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van zijn bestaan te voorzien.
5. Als het gaat om de vraag of een betrokkene kan beschikken over het middel waarop beslag ligt, dan is de rechtspraak niet eenduidig. Zo heeft de CRvB in zijn uitspraak van
28 maart 2006 geoordeeld dat bij de draagkrachtbepaling ter beoordeling van een verzoek om bijzondere bijstand, het middel waarop beslag ligt niet wordt meegeteld. Over dat middel kon de betrokkene immers niet kan beschikken, aldus de CRvB.
In de uitspraak van 30 april 2019 heeft de CRvB anders geoordeeld. Hier gold namelijk dat de betrokkene redelijkerwijs wél kon beschikken over het middel waarop het beslag rustte. Met het beslag werd immers de schuld van de betrokkene afgelost. Een aflossing op de schuld levert per definitie een verbetering op van de economische positie van de betrokkene. Het maakt daarbij niet uit dat die aflossing gedwongen gebeurde.
6. Met betrekking tot het antwoord op de vraag of een betrokkene juridisch gezien al dan niet de beschikking heeft over middelen waarop beslag is gelegd, is de rechtspraak niet eenduidig geweest. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de CRvB met zijn uitspraak van 30 april 2019 richting gegeven bij de beantwoording van dit vraagstuk.
7. Dat de casus van eiser inhoudelijk anders is dan de casus die geleid heeft tot de CRvB uitspraak van 30 april 2019, laat onverlet dat de centrale vraag in beide casussen hetzelfde is. Zowel ten aanzien van eiser als ten aanzien van de betrokkene in de CRvB-uitspraak van 30 april 2019 gaat het namelijk om de vraag of zij kunnen beschikken over het middel waarop beslag ligt. De rechtbank is van oordeel dat de redenering van de CRvB in de uitspraak van 30 april 2019 ook opgaat voor de casus van eiser. Het loonbeslag van eiser is namelijk gebruikt om de schuld van eiser af te lossen. Het loonbeslag is dus in het voordeel van eiser aangewend. Zijn schuld is hierdoor immers afgenomen. Dat leidt tot het oordeel dat eiser in juridische zin de beschikking heeft gehad over het loonbeslag. Om die reden heeft verweerder terecht het loonbeslag meegeteld bij de berekening van de draagkracht van eiser.
8. Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit blijft in stand. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier. De beslissing is uitgesproken en bekendgemaakt op
7 januari 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Op grond van de Participatiewet (Pw).
ECLI:NL:CRVB:20l9:1916.
ECLI:NL:CRVB:2006:AV8374.