Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2021-09-17
ECLI:NL:RBMNE:2021:4642
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,359 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/493- V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2021 op het verzet van
Onbekende opposant(e),
(beweerdelijk gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE),
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat mr. D.A.N. Bartels MRE (Bartels) beweerdelijk namens opposant(e) heeft ingediend tegen het besluit van de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking SWW van 23 december 2019 (verweerder).
In de uitspraak van 25 maart 2021(hierna: de uitspraak) heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant(e) is tegen deze uitspraak in verzet gegaan. De zitting heeft via een Skypeverbinding plaatsgevonden op 10 september 2021. Opposant is zelf niet verschenen, maar zijn gemachtigde wel.
De heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking SWW is niet verschenen (met bericht van verhindering).
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de uitspraak het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de beweerdelijk gemachtigde niet binnen de beroepstermijn stukken heeft overlegd waaruit de identiteit van degene namens wie hij beroep heeft ingesteld blijkt, zoals een machtiging met daarop de gegevens van opposant(e). Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak niet juist was.
3. Volgens opposant(e) is de uitspraak van de rechtbank van 25 maart 2021 niet juist omdat zowel verweerder als de rechtbank van begin af aan tijdig duidelijk was wie de belanghebbende is en was. Zulks blijkt overduidelijk uit handenvol parallel bij de rechtbank en verweerder lopende bezwaar- en beroepsprocedures.
4. In zijn reactie op het verzetschrift van 27 mei 2021 schrijft verweerder - kort samengevat - dat het verzet kennelijk ongegrond is.
5. De rechtbank stelt vast dat de beroepstermijn op 3 februari 2020 is verlopen. Ook stelt de rechtbank vast dat Bartels voor het eerst in zijn brief van 24 maart 2020 vermeldt wie zijn cliënt is, namelijk [naam cliënt] . Op dat moment was de beroepstermijn - die eindigde op 3 februari 2020 - al verstreken.
Dit is een (na afloop van de termijn voor het instellen van het rechtsmiddel) niet meer te herstellen gebrek. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2031), r.o. 2.2.: “(…). Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 20 juli 2005 (ECLI:NL:RVS:2016:980), kan de omstandigheid dat beroep wordt ingesteld namens een persoon of personen van wie tijdens de beroepstermijn de identiteit niet kenbaar is, niet worden beschouwd als een vormverzuim dat op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan worden hersteld. In dat geval staat tijdens de beroepstermijn immers in het geheel nog niet vast wie beroep heeft willen instellen. De artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb strekken er niet toe het mogelijk te maken beroep in te stellen namens nog onbekende personen. De in artikel 8:1, in samenhang met de artikelen 6:7 en 6:11 van de Awb, neergelegde regeling met betrekking tot de beroepstermijn brengt met zich dat de identiteit van degenen namens wie beroep wordt ingesteld, voor afloop van de beroepstermijn kenbaar moet zijn.(…)”.
6. De stelling van Bartels dat de heffingsambtenaar anoniem procedeert en zijn cliënt aanduidt met “belanghebbende” doet aan het voorgaande niet af omdat in het onderhavige geschil aan de orde is of Bartels tijdig aan de rechtbank kenbaar heeft gemaakt namens wie hij beroep heeft ingesteld.
7. Ook heeft Bartels een beroep gedaan op overschrijding van de redelijke termijn en verzocht om vergoeding van de schade. De rechtbank overweegt dat in gevallen waarin de indiener van het rechtsmiddel onbekend is, het niet mogelijk is om schadevergoeding toe te kennen. Het is immers niet duidelijk bij wie of welke rechtspersoon het veronderstelde leed bestaat en aan wie die vergoeding betaald zou moeten worden. Daarom zal de rechtbank geen schadevergoeding toekennen.
8. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van 25 maart 2021 in stand blijft.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier. De beslissing is uitgesproken op 17 september 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.