Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2021-09-06
ECLI:NL:RBMNE:2021:4323
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,956 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 21/2450 en 21/3363
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 september 2021 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster] , te [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. F. Çelen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder
(gemachtigden: mr. J.H.S. Biervliet en K.K. Bahora).
Procesverloop
In het besluit van 25 maart 2021 (primair besluit) heeft verweerder aan verzoekster een urgentie toegekend met een zoekprofiel voor woningen van maximaal drie kamers.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Voordat een zitting heeft plaatsgevonden, heeft verweerder bij besluit van 29 juli 2021 (bestreden besluit) het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om de voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 augustus 2021 op zitting behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
Inleiding
1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.
Feiten
2. Verzoekster en haar twee minderjarige kinderen (geboren in 2007 en 2005) hebben momenteel geen woning. Zij verblijven voor telkens korte perioden bij kennissen. Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit omdat zij het niet eens is met het zoekprofiel. Het bezwaar is afgewezen.
Beroepsgronden en standpunt verweerder
3. Verzoekster voert aan dat zij met haar kinderen niet kan wonen in een woning met drie kamers maar een woning met vier kamers nodig heeft. Ieder gezinslid heeft vanwege verschillende gezondheidsproblemen een eigen slaapkamer nodig. Dit is in een driekamerwoning niet mogelijk. Verzoekster licht toe dat haar zoon ernstige gedragsproblemen heeft, waaronder agressieproblemen. Haar dochter is herstellende van een ernstige ziekte, heeft nieuwe medische problemen en staat onder begeleiding van een kinderpsycholoog. Ook hebben beide kinderen leerproblemen. Verzoekster zelf heeft verschillende psychische klachten, zoals PTTS. Voor de behandeling die zij daarvoor moet volgen, heeft zij een eigen kamer nodig. Verzoekster verwijst onder meer naar de (medische) stukken die ten grondslag lagen aan haar aanvraag en de toegekende urgentie.
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat driekamerwoningen passend zijn voor verzoekster omdat artikel 16 en Bijlage 2, onderdeel II, van de Huisvestingsverordening Almere 2019 (Huisvestingsverordening) dit voorschrijft bij gezinnen met één ouder en twee minderjarige kinderen. Verweerder ziet op basis van de hardheidsclausule geen aanleiding om in het geval van verzoekster af te wijken van deze regels uit de Huisvestingsverordening. In het bestreden besluit licht verweerder toe dat uit de medische stukken niet blijkt dat iedereen van het gezin een eigen slaapkamer nodig zou hebben.
Wettelijk kader
5. Het wettelijk kader, voor zover relevant voor deze zaak, luidt als volgt.
Artikel 16, eerste lid, van de Huisvestingsverordening:
“Een urgent woningzoekende komt met voorrang in aanmerking voor woonruimte die passend is gelet op de verhouding tussen de omvang van het huishouden van de woningzoekende en het aantal kamers. De passendheidscriteria zijn uitgewerkt in Bijlage II bij deze verordening”.
Onderdeel II, van bijlage II, van de Huisvestingsverordening:
“Uitwerking Passendheidscriteria als bedoeld in artikel 16:
Om te bepalen of een woonruimte passend is, worden onderstaande regels toegepast:
Het aantal kamers van de woonruimte is als volgt gerelateerd aan de omvang van het huishouden:
Samenstelling van het huishouden - Kamertal
(…)
1 ouder* en 2 kinderen - 3
(…)
In afwijking van het bovenstaande kan een huishouden een extra kamer toegewezen krijgen, als één of meer kinderen in de middelbare schoolleeftijd zijn, om te voorkomen dat ouders en kinderen van ongelijk geslacht een kamer moeten delen.
Woningzoekenden met een zoekprofiel van 1, 2 of 3 kamers krijgen uitsluitend urgentie voor een appartement.
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om, gerelateerd aan persoonlijke omstandigheden van de woningzoekende:
- bepaalde wijken of buurten als zoekgebied uit te sluiten;
- van het kamertal uit bovenstaande tabel af te wijken.”
6. Uit het wettelijk kader blijkt dat de Huisvestingsverordening als het gaat om het verlenen van urgentie een driekamerwoning voor één ouder met twee minderjarige kinderen passend vindt. Verweerder kan een extra kamer toewijzen, als één of meer kinderen in de middelbare schoolleeftijd zijn, om te voorkomen dat ouders en kinderen van ongelijk geslacht een kamer moeten delen (zie de tekst hiervoor uit onderdeel II, van de Bijlage II). Verweerder heeft ter zitting voldoende toegelicht dat daar in de situatie van verzoekster geen sprake van is omdat haar zoon een eigen kamer zou kunnen krijgen. Moeder en dochter zouden in dat geval een kamer (kunnen) delen.
7. Uit het wettelijk kader blijkt voorts ook dat de Huisvestingsverordening de mogelijkheid geeft om op basis van persoonlijke omstandigheden van de woningzoekende af te wijken van het kameraantal. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat alleen op basis van de hardheidsclausule kan worden afgeweken van het kameraantal. De persoonlijke situatie van verzoekster is daar volgens verweerder wel bij betrokken. De voorzieningenrechter oordeelt dat het standpunt van verweerder niet in overeenstemming is met de Huisvestingsverordening. De Huisvestingsverordening geeft immers expliciet de mogelijkheid om op basis van persoonlijke omstandigheden van de urgent woningzoekende af te wijken van het kameraantal. Verweerder heeft in het bestreden besluit ten onrechte deze mogelijkheid niet in de beoordeling betrokken terwijl verzoekster wel een beroep heeft gedaan op de situatie van haar gezin. Verweerder had dit afzonderlijk van – en vóór de toetsing aan – de hardheidsclausule moeten beoordelen. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat er geen persoonlijke omstandigheden zijn die moeten leiden tot afwijking van het kameraantal onder meer omdat er geen medische stukken zijn die expliciet stellen dat er voor elke gezinslid een aparte slaapkamer nodig is. Daarmee is de inhoudelijke toelichting voldoende duidelijk en de voorzieningenrechter merkt dit aan als een nadere motivering van het bestreden besluit.
8. Daarvan uitgaande, oordeelt de voorzieningenrechter dat verweerder zich in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat er in dit geval geen persoonlijke omstandigheden aanwezig zijn die noodzaken tot afwijking van het kameraantal. Daarvoor zijn de volgende omstandigheden van belang. Bij reguliere woningzoekenden – zonder urgentieverklaring – geldt dat verweerder vierkamerwoningen met voorrang toewijst aan gezinnen van ten minste drie personen (zie artikel 9 van de Huisvestingsverordening). Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de Huisvestingsverordening daar bij urgent woningzoekenden van afwijkt omdat er meer driekamerwoningen beschikbaar zijn dan vierkamerwoningen. De voorzieningenrechter overweegt dat het uitgangspunt dat driekamerwoningen bij de toepassing van de urgentieregels passend zijn voor gezinnen van één ouder met twee kinderen – gelet op de uitleg van verweerder – op zichzelf niet onredelijk is voor gemiddelde gezinnen. In de situatie van verzoekster staat echter vast dat elk gezinslid (forse) medische, psychische en/of gedragsproblemen heeft. Ook voor de dochter en verzoekster – die volgens verweerder eventueel een kamer zouden kunnen delen – geldt dit. Dit is onderbouwd met verschillende medische en andere stukken en is reden geweest voor verweerder om een urgentie toe te kennen. Ondanks dat er geen medische stukken zijn die expliciet aangeven dat er voor elk gezinslid een eigen kamer zou moeten zijn, is vast komen te staan dat er in dit geval wel bijzondere persoonlijke omstandigheden zijn. Gezien de persoonlijke omstandigheden van verzoekster en haar gezin heeft verweerder in redelijkheid niet een zoekprofiel van vierkamerwoningen kunnen weigeren.
9. Het beroep is gegrond en de voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit.
De voorzieningenrechter kan de zaak zelf afdoen omdat het in dit geschil alleen nog gaat om het zoekprofiel voor drie- of vierkamerwoningen. Dat verzoekster recht heeft op urgentie is immers niet in geschil tussen partijen. Daar komt bij dat de voorzieningenrechter over voldoende informatie beschikt om te beslissen. Bovendien is de zaak spoedeisend omdat verzoekster en haar kinderen geen woonruimte hebben, en is het dus van belang om het geschil nu finaal af te doen gelet op de situatie waarin verzoekster en haar kinderen zich bevinden.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit, voor zover daarbij is beslist dat verzoekster recht heeft op een zoekprofiel horend bij de urgentieverklaring voor woningen van maximaal drie kamers;
bepaalt dat het zoekprofiel wordt vastgesteld voor woningen van maximaal vier kamers;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 362,- aan verzoekster te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 3.312,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.R. van der Vos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van J. Fagel, griffier. De beslissing is uitgesproken op 6 september 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.