Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2021-09-02
ECLI:NL:RBMNE:2021:4288
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,537 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/4512
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 september 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , te [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Bakker),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder
(gemachtigde: P.E. Boersma).
Procesverloop
In de beschikking van 29 februari 2020 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres] in [plaats] (het object) voor het belastingjaar 2020 vastgesteld op € 1.871.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2019. Bij deze beschikking heeft verweerder aan eiser als eigenaar van het object ook een aanslag voor onder meer onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing ter zake van gebouwde onroerende zaken (hierna te noemen: watersysteemheffing gebouwd) opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
Eiser is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. Bij brief van 10 juni 2020 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een uitspraak op bezwaar. Bij beschikking van 3 juli 2020 heeft verweerder de ingebrekestelling prematuur verklaard. Tegen deze beschikking heeft eiser op 12 augustus 2020 bezwaar ingediend. Bij brief van 28 september 2020 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een uitspraak op bezwaar. In de uitspraak op bezwaar van 29 oktober 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
De zaak is behandeld op de digitale zitting van 19 augustus 2021. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
1. In geschil is of de dwangsom inzake het niet-tijdig beslissen op het bezwaarschrift tegen de watersysteemheffing gebouwd terecht is afgewezen. Om dit te kunnen beoordelen is van belang of de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar ten tijde van de ingebrekestelling al was verstreken.
2. Eiser stelt dat op grond van artikel 7:10 lid 1 Awb de termijn om te beslissen op zijn bezwaarschrift van 12 augustus 2020 was verstreken. Eiser stelt dat hij tegen de watersysteemheffing gebouwd alleen de beroepsgrond ‘overschrijding van de opbrengstlimiet’ aanvoert en dat deze beroepsgrond alleen relevant is voor de aanslag watersysteemheffing gebouwd. Verweerder betwist dit door te stellen dat bezwaar is gemaakt tegen zowel de watersysteemheffing gebouwd als de WOZ-waarde en dat de WOZ-waarde ten grondslag ligt aan de watersysteemheffing gebouwd. Volgens verweerder vangt dus de beslistermijn voor het bezwaar tegen de aanslag watersysteemheffing gebouwd ingevolge artikel 131 Waterschapswet aan nadat de WOZ-waarde onherroepelijk vast staat. Dat was nog niet het geval en daarom was de ingebrekestelling volgens verweerder prematuur.
3. De rechtbank overweegt dat uit artikel 121, eerste lid, onder d, van de Waterschapswet volgt dat voor de watersysteemheffing ter zake van gebouwde onroerende zaken als heffingsmaatstaf geldt de waarde die voor de onroerende zaak wordt bepaald op de voet van de Wet WOZ. In art. 131 van de Waterschapswet is bepaald dat als een belanghebbende bezwaar maakt tegen zowel de aanslag watersysteemheffing gebouwd als de daaraan ten grondslag liggende WOZ-waarde, de termijn voor de uitspraak op het bezwaar tegen de aanslag waterschapsbelasting van rechtswege wordt opgeschort totdat de WOZ-waardebeschikking onherroepelijk is komen vast te staan. De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat verweerder in dat geval pas uitspraak op het bezwaar mag doen als de WOZ-waarde onherroepelijk vaststaat. Indien verweerder eerder uitspraak op bezwaar doet, moet die uitspraak worden vernietigd.
4. In dit geval heeft eiser met het bezwaarschrift van 9 april 2020 bezwaar gemaakt tegen zowel de aanslag watersysteemheffing gebouwd als de daaraan ten grondslag liggende WOZ-waarde. Eiser heeft de gronden aangevuld bij brief van 30 mei 2020 en toen onder meer aangevoerd dat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld. Verweerder heeft op 1 maart 2021 uitspraak gedaan op het bezwaar tegen de WOZ-waarde. De WOZ-waarde stond daarom op 10 juni 2020 nog niet onherroepelijk vast. Dat eiser tegen de watersysteemheffing gebouwd als grond slechts aangevoerd heeft dat de opbrengstlimiet was overschreden, maakt dit niet anders, aangezien het erom gaat dat de WOZ-waarde nog niet onherroepelijk vaststond. De beslistermijn voor de uitspraak op het bezwaar tegen de aanslag watersysteemheffing gebouwd was opgeschort Verweerder was op het moment van de ingebrekestelling dus nog niet in verzuim, zodat eiser geen aanspraak kan maken op een dwangsom.
Conclusie
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder terecht de dwangsom inzake het niet-tijdig beslissen op het bezwaarschrift tegen de watersysteemheffing gebouwd heeft afgewezen. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van A. Kasi, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2021.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.
Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 15 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO0411, r.o. 3.3.1.