Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2021-08-05
ECLI:NL:RBMNE:2021:3723
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,643 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/2997
uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 augustus 2021 in de zaak tussen
[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. A.E.M.C. Koudijs),
en
de burgemeester van de gemeente Leusden, verweerder(gemachtigde: mr. M.J. Tunnissen).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij], te [vestigingsplaats] (gemachtigde: C.M. Timmers).
Procesverloop
In het besluit van 20 juli 2021 heeft verweerder besloten om de woning van verzoekster aan de [adres] in [plaats] (de woning) op 23 juli 2021 te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet voor de duur van drie maanden.
Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 augustus 2021 op zitting behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en haar moeder. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door C.M. Timmers.
Overwegingen
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Op 15 februari 2021 is er door verzoekster een melding gemaakt bij de politie van bedreiging. Door de politie zijn toen drie mannen aan gehouden bij de woning van verzoekster. Bij de mannen zijn wapens aangetroffen, namelijk een honkbalknuppel en een mes. Uit onderzoek van de politie volgt dat deze drie mannen op zoek waren naar de ex-partner van verzoekster, die op dat moment in de woning verbleef. Uit verder onderzoek van de politie is gebleken dat de ex-partner van verzoekster een druggerelateerd conflict had met de aangehouden mannen.
Naar aanleiding van deze bevindingen en nader onderzoek heeft de politie op 17 mei 2021 een inval gedaan in de woning van verzoekster. Een bestuurlijke rapportage van de politie van 23 juni 2021 vermeldt dat de woning bij de inval is doorzocht en dat de volgende goederen zijn aangetroffen in een niet afgesloten kastje in de woonkamer:- 1 doos, inhoudende honderden al dan niet gevouwen ponypacks;- 1 pot, inhoudende 17,87 gram Inositol;- 1 pot, inhoudende 254,7 gram Creatine;- 1 hak/mengmolen, die na forensisch onderzoek sporen van cocaïne bleek te bevatten;- 2 nepvuurwapens;- 1 taser.
Verder vermeldt de bestuurlijke rapportage dat verzoekster tegenover de politie heeft verklaard dat er in haar woning enveloppen werden gevouwen en dat er drugs werden gekookt en klaargezet. Ook verklaarde verzoekster dat dit voornamelijk gebeurde door haar ex-partner, waar zij af en toe drugs van kocht, en dat zij af en toe behulpzaam is geweest bij deze activiteiten. De bestuurlijke rapportage vermeldt verder dat verzoekster een actieve rol heeft gehad bij het vervaardigen, verpakken en distribueren van drugs. Dit volgt onder andere uit het feit dat verzoekster in de periode van 26 maart 2021 tot en met 8 mei 2021 bijna dagelijks werd gebeld op haar mobiele telefoon, waarbij gesproken werd over “het brengen van pakketjes”, “of er gekookt kon worden” en dat ze “vast moest gaan vouwen” omdat de beller aangeeft dat hij helemaal leeg is en of hij naar binnen kan komen om het klaar te maken. Bij de politie is ambtshalve bekend dat de stoffen Inositol en Creatine kunnen worden gebruikt als versnijdingsmiddel voor drugs. Het wettelijk kader
Op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd, voor zover van belang, tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3° wordt aangetroffen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet gaat het daarbij -samengevat- om voorbereidingshandelingen die strafbaar zijn op grond van artikel 10a van de Opiumwet. Die bepalingen vereisen dat degene die het voorwerp of de stof in de woning voorhanden heeft, weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat het voorwerp of de stof bestemd is voor onder meer het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren of vervaardigen van harddrugs. De aangetroffen situatie zal van dien aard moeten zijn dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de voorhanden voorwerpen gebruikt zullen worden om strafbare voorbereidingshandelingen te plegen. Dat vereist een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden zoals door de politie vastgesteld.Gronden van het verzoek
6. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat verweerder niet bevoegd is om tot sluiting van haar woning over te gaan. De sluiting is volgens verzoekster niet noodzakelijk omdat er geen indicaties zijn dat de openbare orde is verstoord. Verder kan haar ook geen verwijt worden gemaakt. De aangetroffen spullen waren van haar ex-partner, en verzoekster wist niet wat hij allemaal in haar woning deed als zij er niet was. De bevoegdheid
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de voorwerpen en stoffen die in de woning van verzoekster zijn aangetroffen, gebruikt zijn of zouden worden om strafbare voorbereidingshandelingen mee te plegen. Verzoekster heeft, zoals staat vermeld in de bestuurlijke rapportage, ten overstaan van de politie ook erkend dat er drugs in de woning werden bereid en verpakt, en dat zij daar zelf (soms) aan heeft deelgenomen. Dat verzoekster op zitting heeft verklaard dat dit niet juist is, kan haar niet baten. Deze enkele stelling vindt de voorzieningenrechter onvoldoende voor het oordeel dat verweerder niet mocht uitgaan van wat er op dit punt in de bestuurlijke rapportage is opgenomen. Op de zitting is besproken dat de bestuurlijke rapportage niet eenduidig is op het punt of er sprake was van harddrugs of softdrugs. Aan de ene kant legt de politie een verband tussen de ex-partner van verzoekster en de handel in softdrugs, terwijl aan de andere kant de conclusie wordt getrokken dat het zeer aannemelijk is dat in de woning harddrugs werden bereid. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat er sprake was van voorbereidingshandelingen gericht op de handel in, en distributie van, harddrugs omdat de feiten die in de rapportage zijn beschreven daarop wijzen. Het gaat dan om de informatie uit de afgetapte telefoongesprekken waarin werd gesproken over het ‘koken’, de aangetroffen resten cocaïne in de koffiemolen en de aangetroffen versnijdingsmiddelen. De conclusie is dan ook dat verweerder bevoegd is om de sluiting van de woning van verzoekster te gelasten.De noodzakelijkheid van de sluiting
8. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan verweerder de woningsluiting noodzakelijk vinden voor de bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde. Voor dit oordeel vindt de voorzieningenrechter van belang dat, zoals hiervoor in punt 7 is overwogen, het aannemelijk is dat de voorwerpen en stoffen die zijn aangetroffen bedoeld waren voor de bereiding en distributie van harddrugs. Verder heeft verweerder bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van de sluiting mogen betrekken dat er ook nep(vuur)wapens zijn aangetroffen in de woning en dat het incident van 15 februari 2021 bij de woning druggerelateerd was. Over de aanwezigheid van de taser heeft verzoekster verklaard dat zij die had omdat zij in het verleden werd gestalkt, maar dat neemt niet weg dat dit (illegale) wapen is aangetroffen in hetzelfde kastje als de andere voorwerpen en stoffen. Al deze omstandigheden tezamen genomen heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten dat de sluiting noodzakelijk is voor het herstellen van de openbare orde.
9. De stelling van verzoekster dat de noodzaak van de sluiting ontbreekt omdat verweerder ongeveer tien weken heeft gewacht met het sluiten van de woning, leidt niet tot een ander voorlopig oordeel. De bestuurlijke rapportage dateert van 23 juni 2021. Op 12 juli heeft verweerder vervolgens het voornemen tot sluiting aan verzoekster bekend gemaakt en vervolgens is er overleg geweest met het sociaal team van de gemeente, namelijk met Lariks en Samen Veilig. Verzoekster is in die periode ook in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen, wat zij ook heeft gedaan. De voorzieningenrechter vindt niet dat verweerder daarmee, na het ontvangen van de bestuurlijke rapportage, onredelijk lang heeft gewacht. Het tijdsverloop tussen de inval op 17 mei 2021 en besluit om tot sluiting over te gaan, vindt de voorzieningenrechter niet zo lang dat de noodzaak van sluiting er niet meer is.De evenredigheid van de sluiting
10. Als sluiting van de woning in beginsel noodzakelijk wordt gevonden, neemt dat niet weg dat de sluiting ook evenredig moet zijn. De voorzieningenrechter beoordeelt daarom ook de mate van verwijtbaarheid van verzoekster en de gevolgen van de sluiting voor haar.
11. Dat verzoekster (nog) niet vervolgd wordt voor haar rol betekent niet dat verweerder moet afzien van het sluiten van de woning.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.B.L. Meijer, griffier. De uitspraak is uitgesproken op 5 augustus 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om De voorzieningenrechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen om de uitspraak te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Kamerstukken II 2016/17, 34 763, nr. 3.
ECLI:NL:RVS:2020:1333.
ECLI:NL:RVS:2019:2912.