Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2020-12-29
ECLI:NL:RBMNE:2020:5747
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,389 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/2621
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
29 december 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser,
en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder
(gemachtigde: drs. I. Metaal).
Procesverloop
Bij besluit van 30 maart 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard met ingang van 6 april 2020.
Bij besluit van 29 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 december 2020. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. Op 24 augustus 2019 is eiser aangehouden omdat de politie opviel dat hij slingerend en langzaam reed. Eiser heeft niet meegewerkt aan een speekseltest en een bloedonderzoek. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder een onderzoek opgelegd. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden op 13 januari 2020. Hiervan is op 18 februari 2020 een rapport naar verweerder gestuurd. De conclusie van de psychiater drs. A.F.M. Pulles en psycholoog
F. Bakker is dat sprake is van drugsmisbruik in ruime zin. Verweerder heeft vervolgens het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard vanaf 6 april 2020.
2. Uit de wet volgt dat verweerder een rijbewijs ongeldig verklaart als uit het onderzoek blijkt dat de betrokkene niet voldoet aan de eisen voor het besturen van een voertuig. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1570) volgt dat slechts aanleiding bestaat om een besluit van verweerder niet in stand te laten als het rapport naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, inhoudelijke tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is. Daarnaast volgt uit paragraaf 8.8 van de Regeling eisen geschiktheid dat van de keurend arts een strenge opstelling wordt verwacht.
4. De psychiater drs. A.F.M. Pulles en de psycholoog F. Bakker zijn tot de conclusie gekomen dat sprake is van drugsmisbruik in ruime zin. Deze conclusie hebben zij gebaseerd op het volgende:
Uit het urineonderzoek is gebleken dat eiser cannabis en cocaïne heeft gebruikt. Eiser was de hoogte van het feit dat hij een drugsonderzoek zou ondergaan en was blijkbaar niet in staat om zich met betrekking tot het drugsgebruik te beheersen. Dit wijst op een vorm van persistentie en vormt een aanwijzing voor problematisch gebruik van drugs.
Daarnaast heeft eiser zelf verklaard dat hij op reguliere basis verboden middelen gebruikt.
Ook is ook van belang geacht dat eiser tijdens de aanhouding heeft geweigerd om mee te werken aan een drugstest, waarmee hij de verdenking op zich heeft geladen dat hij meer drugs heeft gebruikt dan hij heeft verklaard. De psychiater en psycholoog gaan er daarom vanuit dat eiser te veel drugs heeft gebruikt op het moment van de aanhouding op 24 augustus 2019.
5. De omstandigheden die eiser heeft aangevoerd, namelijk dat hij alleen cocaïne gebruikt bij een feestje waarna hij niet hij geen auto hoeft te rijden, dat hij cannabis gebruikt voordat hij gaat slapen en dat hij uit principe niet heeft meegewerkt tijdens de controle bij de aanhouding op 24 augustus 2019, zijn geen omstandigheden waarop de conclusie kan worden getrokken dat het rapport onjuistheden bevat. Eiser heeft ook geen tegenrapport overgelegd om het tegendeel te bewijzen. Verweerder kon dus uitgaan van het onderzoeksrapport van 18 februari 2020. De Wegenverkeerswet geen ruimte om persoonlijke belangen van eiser te betrekken bij zijn oordeel en daarom moest verweerder het rijbewijs van eiser ongeldig verklaren.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 december 2020 door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Wilpstra-Foppen, griffier.
De rechter is verhinderd om de uitspraak
te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Zie artikel 134 van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 27. Sub b, Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid en paragraaf 8.8. Regeling eisen geschiktheid.