Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2020-11-04
ECLI:NL:RBMNE:2020:5040
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,153 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/1044
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 november 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser,
en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs, verweerder
(gemachtigde: mr. B.C. Rots).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [A] , te [plaats] .
Procesverloop
Bij besluit van 14 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de ouderbijdrage 2020 voor de dochter van eiser (derde partij) vastgesteld op € 150,70 per maand.
Bij besluit van 7 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard en de gezamenlijke ouderbijdrage 2020 voor beide ouders van derde partij samen vastgesteld op € 150,70 per maand.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2020 via Skype for Business. Eiser en derde partij zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.
Overwegingen
1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Eiser is de vader van derde partij. Derde partij volgt een opleiding en heeft daarvoor een aanvullende beurs aangevraagd.
3. Eiser is het er niet mee eens dat verweerder bij de vaststelling van de aanvullende beurs van derde partij rekening heeft gehouden met een ouderbijdrage. Derde partij is 32 jaar oud, heeft een zoon van 9 jaar oud en is sinds vele jaren zelfstandig. Gelet op deze omstandigheden vindt eiser het onredelijk dat zijn inkomen van invloed is op de hoogte van de aanvullende beurs van derde partij. Eiser kan bovendien geen ouderbijdrage betalen, omdat hij gepensioneerd is en een inwonende zoon van 28 jaar heeft. Hij verzoekt verweerder daarom om een uitzondering op de regel te maken.
4. De aanvullende beurs wordt berekend aan de hand van de ouderlijke bijdrage die wordt bepaald door het toetsingsinkomen van de ouders van de studerende. Daarbij wordt geen rekening gehouden met de koopkracht of individuele uitgaven van de ouders. De veronderstelde ouderbijdrage is een rekeneenheid die nodig is om te bepalen of, en zo ja tot welk bedrag, een studerende recht heeft op een aanvullende beurs. De ouderbijdrage is niet verplicht. De studerende kan betaling daarvan dus niet afdwingen.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de ouderbijdrage op de juiste manier heeft vastgesteld. Verweerder heeft terecht gebruikt gemaakt van het toetsingsinkomen van eiser. De wetgever heeft ervoor gekozen dat het toetsingsinkomen van de ouders bepalend is voor de vaststelling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage. De argumenten die eiser aanvoert bieden geen aanknopingspunt om zijn inkomen buiten beschouwing te laten. Of hij wel of niet wil en kan bijdragen aan de studiekosten van derde partij, is namelijk niet van belang. Dit speelt geen rol bij de berekening van het recht op een aanvullende beurs.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Slierendrecht, griffier. De beslissing is uitgesproken op 4 november 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
De rechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Dat volgt uit artikel 3.8 en 3.9 van de Wet studiefinanciering 2000.
De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3052, r.o. 4.2.