Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2020-10-27
ECLI:NL:RBMNE:2020:4743
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,559 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/2628
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. D.D. Pietersz),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
(gemachtigde: M. Hofstee).
Procesverloop
1. Op 11 februari 2020 heeft verweerder op verzoek van eiser een overzicht gegeven van de nog openstaande vorderingen in verband met meerdere terugvorderingsbesluiten. Het totaal van deze vorderingen bedraagt volgens verweerder € 4.588,64. Op 12 februari 2020 heeft eiser gereageerd op deze brief.
1.1.
Verweerder heeft op 18 februari 2020 gereageerd op eisers brief van 12 februari 2020 en uitleg gegeven over de opbouw van de vorderingen. Verweerder heeft er daarbij onder meer op gewezen dat er nog sprake was van een schuld uit 2008, die inmiddels is voldaan. Eisers verzoek om kwijtschelding van de resterende vorderingen heeft verweerder afgewezen omdat eiser weliswaar al zeven jaar heeft afgelost, maar minder dan 50% van de vorderingen heeft voldaan.
1.2.
Eiser heeft tegen de brief van 18 februari 2020 bezwaar gemaakt.
1.3.
Op 24 juni 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar voor zover dat ziet op de (hoogte) van de terugvordering niet-ontvankelijk verklaard omdat de informatie daarover geen besluit is, maar een herhaling van eerdere terugvorderings- en bruteringsbesluiten. Verder heeft verweerder het restant van de vordering die is ontstaan op 1 februari 2012 (€ 767,46) kwijtgescholden, eisers bezwaar gegrond verklaard en een bedrag van € 1.050,- toegekend voor proceskosten. Tegen dit besluit richt zich het beroep.
1.4.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op 27 oktober 2020 via Skype. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1.6.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk en hij krijgt zijn proceskosten niet vergoed. Verweerder hoeft het griffiegeld ook niet aan hem terug te betalen. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
Overwegingen
2. Voor zover de brief van verweerder van 18 februari 2020 ziet op de hoogte van de nog openstaande vorderingen is de brief geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), want de brief bevat slechts mededelingen van informatieve aard over door eiser nog terug te betalen bedragen waarover in het verleden al besluiten zijn genomen. De brief is dus in zoverre niet op rechtgevolg gericht. De brief valt ook niet onder het verruimde besluitbegrip van artikel 79 van de Participatiewet, want er is geen sprake van één van de situaties die in dat wetsartikel wordt genoemd. De informatieve mededelingen zijn geen handelingen die strekken tot uitvoering van een besluit inzake de verlening of terugvordering van bijstand en ook geen handelingen die afwijken van een dergelijk besluit.
3. De conclusie is dan dat verweerder het bezwaar, voor zover gericht tegen de hoogte van de terugvordering, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat voor zover eiser stelt dat het bedrag van de terugvordering € 2.136,55 bedraagt, de brief van 28 januari 2016 waar eiser in dit verband op heeft gewezen, alleen gaat over de bijstandsuitkering die eiser in 2015 ten onrechte heeft ontvangen (en de brutering van dat bedrag). Verder zijn, anders dan eiser veronderstelt, de terugvorderingen niet verjaard; de ten onrechte ontvangen uitkering is door verweerder terug- en ingevorderd en daarmee is een eventuele verjaring gestuit. Overigens heeft eiser ook daadwerkelijk afgelost op deze schulden. In eisers stelling dat hij verweerders berekeningen van de hoogte van de nog openstaande vordering onduidelijk vindt, heeft verweerder geen reden hoeven zien om van (verdere) terugvordering af te zien.
5. Eiser heeft tegen de hoogte van het bedrag dat door verweerder in het bestreden besluit is kwijtgescholden geen beroepsgronden gericht. Eiser heeft wel aangevoerd dat zolang de hoogte van de vordering wordt betwist verweerder niet over kan gaan tot verrekening van de proceskosten in bezwaar met de nog openstaande vordering.
6. Deze beroepsgrond slaagt niet. Verweerder is bevoegd om de proceskosten in bezwaar te verrekenen. Verweerder heeft een vordering op eiser (namelijk de ten onrechte ontvangen bijstand) en een schuld aan eiser (de proceskosten die in bezwaar zijn toegekend). De rechtbank heeft hiervóór al geoordeeld dat eiser de hoogte van de terugvordering niet meer kan aanvechten, dus dat argument van eiser gaat niet op. Dat er nog geen gezag van gewijsde is, maakt geen verschil. Overigens, ook als eisers redenering zou worden gevolgd dat verweerder nog maar € 2.136,55 van hem te vorderen zou hebben, zou de bevoegdheid tot verrekening bestaan want de vordering van verweerder op eiser is dan nog steeds hoger dan de schuld aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan op 27 oktober 2020 door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Hoogenberk, griffier.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak mede te
ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:331.