Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2020-07-23
ECLI:NL:RBMNE:2020:3790
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,848 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/3288 Rectificatie pagina 1
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. B.A. Huijgen),
en
De Minister voor Rechtsbescherming, verweerder.
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] , te [woonplaats] .
Procesverloop
1. Eiser heeft een affectieve relatie gehad met [derde-partij] (de moeder). Zij hebben samen twee zoons ( [A] en [B] ) en een dochter: [C] . De achternaam van [A] is met zijn toestemming gewijzigd van [naam 1] naar [naam 2] .
2. Op 18 maart 2019 heeft de moeder bij verweerder een aanvraag ingediend voor wijziging van de achternaam van [C] van [naam 1] naar [naam 2] . Deze aanvraag is aanvankelijk afgewezen, maar na een bezwaarprocedure van de moeder alsnog toegewezen. Tegen dit besluit d.d. 27 november 2019 heeft eiser, als derde belanghebbende, beroep ingesteld.
3. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het beroep is op 7 juli 2020 op zitting behandeld. De zitting heeft plaatsgevonden via Skype. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is de moeder ter zitting verschenen.
Standpunten van partijen
4. Eiser heeft aangevoerd dat niet is voldaan aan de voorwaarden van het Besluit geslachtsnaamswijziging en dat er daarom ook geen belangenafweging behoort plaats te vinden. Voor zover deze belangenafweging wel zou moeten plaatsvinden, dient deze in het voordeel van eiser uit te vallen en dient de aanvraag van de moeder alsnog te worden afgewezen. Een wijziging van de achternaam is om verschillende redenen niet in het belang van [C] , aldus eiser.
5. Verweerder heeft het standpunt van eiser gemotiveerd weersproken. Voor een weergave van het standpunt van verweerder, verwijst de rechtbank kortheidshalve naar de overwegingen hierna.
Overwegingen
6. Eiser heeft op 26 juni 2020 nog verschillende stukken overgelegd. Het gaat hierbij om een conceptrapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 23 juni 2020, een brief van de belastingdienst van 20 juni 2020 en een aangifte bij de politie van 15 december 2019. De rechtbank overweegt hierover dat zij het bestreden besluit dient te beoordelen aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die waren op het moment dat het bestreden besluit werd genomen (de zogenoemde ex tunc-toetsing). Verweerder had deze stukken niet tot zijn beschikking op het moment van het bestreden besluit, en de documenten dateren ook van na het bestreden besluit. Daarnaast kunnen de stukken niet worden gezien als een nadere onderbouwing van eerder door eiser ingenomen stellingen. De rechtbank zal de stukken van 26 juni 2020 daarom niet meenemen in haar beoordeling.
7. Op grond van artikel 3, tweede lid, van het Besluit geslachtsnaamswijziging moet voor een verzoek tot geslachtsnaamswijziging de wettelijk vertegenwoordiger wiens geslachtsnaam wordt verzocht minstens 5 aaneengesloten jaren voorafgaand aan het verzoek de minderjarige hebben verzorgd en opgevoed.
In artikel 3, vierde lid, onder d, sub 2e is bepaald dat als de andere ouder geen toestemming geeft, het verzoek wordt afgewezen, tenzij de verzoeker aantoont dat het kind en de andere ouder niet meer dan voor een vierde deel van de periode voorafgaand aan de verzorgingstermijn in gezinsverband hebben samengeleefd.
8. In deze zaak gaat het specifiek om de vraag of eiser medio april 2011 nog met [C] in gezinsverband samenleefde. Als wordt uitgegaan van de adresgegevens uit de basisregistratie personen (BRP), dan zou geconcludeerd moeten worden dat eiser tot november 2011 nog met [C] op hetzelfde adres woonde, en dat daarom aan bovenstaande voorwaarde niet wordt voldaan. De rechtbank oordeelt echter dat verweerder heeft mogen beslissen dat de moeder heeft aangetoond dat eiser en zij vanaf medio april 2011 al feitelijk niet meer samenwoonden en dat eiser vanaf toen dus ook niet meer in gezinsverband samenleefde met [C] . Verweerder heeft hierbij betekenis mogen toekennen aan de schriftelijke verklaring van eiser d.d. 16 april 2014 en de daarop gebaseerde beslissing van de belastingdienst. Dat het niet zijn handtekening is onder de verklaring, heeft eiser niet onderbouwd.
9. Verweerder heeft daarnaast ook aan eiser kunnen tegenwerpen dat in de uitspraak van de rechtbank d.d. 8 maart 2016 (over de omgangsregeling) ook als uitgangspunt is genomen dat eiser en de moeder vanaf medio april 2011 niet meer samenwoonden. Dit blijkt ook met zoveel woorden uit de conclusie van antwoord/conclusie van eis in reconventie van de advocaat van eiser, die de moeder in de onderhavige beroepsprocedure heeft overgelegd. Eiser heeft zich dus niet alleen jegens de belastingdienst, maar ook jegens de rechtbank in de familierechtelijke procedure zelf op het standpunt gesteld dat hij vanaf medio april 2011 niet meer in gezinsverband samenleefde met de moeder (en [C] ).
10. De stukken die eiser heeft overgelegd zijn niet voldoende om het tegendeel aannemelijk te maken. Deze stukken, van onder meer T-mobile, de belastingdienst en eisers eenmanszaak, hebben betrekking op de periode tussen medio april 2011 en november 2011. Hierop staat telkens nog het ‘oude’ adres. Dit toont echter hooguit aan dat eiser nog tot november 2011 op het oude adres stond ingeschreven, maar niet dat hij daar feitelijk ook nog woonde. De overgelegde facebookconversatie toont deze samenwoning ook onvoldoende aan. Daaruit kan mogelijk worden afgeleid dat eiser en de moeder nog wel eens afspraken, maar niet meer dan dat.
11. Volgens vaste rechtspraak moet verweerder het verzoek om geslachtsnaamswijziging beoordelen aan de hand van de van toepassing zijnde regelgeving en moet hij, ook in het geval daaraan wordt voldaan, bij de uitoefening van die bevoegdheid alle relevante feiten en rechtstreeks betrokken belangen betrekken.
12. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er geen aanwijzingen zijn dat de geslachtsnaamswijziging niet in het belang van [C] is. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder zich rekenschap gegeven van de feiten en omstandigheden die bij de belangenafweging moeten worden betrokken. Verweerder heeft in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan het familie- en gezinsleven tussen de moeder en [C] dan aan de bedenkingen van eiser.
13. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Ruizendaal-van der Veen, griffier, op 23 juli 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT7420.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/3288 Rectificatie pagina 1
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. B.A. Huijgen),
en
De Minister voor Rechtsbescherming, verweerder.
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] , te [woonplaats] .
Procesverloop
1. Eiser heeft een affectieve relatie gehad met [derde-partij] (de moeder). Zij hebben samen twee zoons ( [A] en [B] ) en een dochter: [C] . De achternaam van [A] is met zijn toestemming gewijzigd van [naam 1] naar [naam 2] .
2. Op 18 maart 2019 heeft de moeder bij verweerder een aanvraag ingediend voor wijziging van de achternaam van [C] van [naam 1] naar [naam 2] . Deze aanvraag is aanvankelijk afgewezen, maar na een bezwaarprocedure van de moeder alsnog toegewezen. Tegen dit besluit d.d. 27 november 2019 heeft eiser, als derde belanghebbende, beroep ingesteld.
3. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het beroep is op 7 juli 2020 op zitting behandeld. De zitting heeft plaatsgevonden via Skype. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is de moeder ter zitting verschenen.
Standpunten van partijen
4. Eiser heeft aangevoerd dat niet is voldaan aan de voorwaarden van het Besluit geslachtsnaamswijziging en dat er daarom ook geen belangenafweging behoort plaats te vinden. Voor zover deze belangenafweging wel zou moeten plaatsvinden, dient deze in het voordeel van eiser uit te vallen en dient de aanvraag van de moeder alsnog te worden afgewezen. Een wijziging van de achternaam is om verschillende redenen niet in het belang van [C] , aldus eiser.
5. Verweerder heeft het standpunt van eiser gemotiveerd weersproken. Voor een weergave van het standpunt van verweerder, verwijst de rechtbank kortheidshalve naar de overwegingen hierna.
Overwegingen
6. Eiser heeft op 26 juni 2020 nog verschillende stukken overgelegd. Het gaat hierbij om een conceptrapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 23 juni 2020, een brief van de belastingdienst van 20 juni 2020 en een aangifte bij de politie van 15 december 2019. De rechtbank overweegt hierover dat zij het bestreden besluit dient te beoordelen aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die waren op het moment dat het bestreden besluit werd genomen (de zogenoemde ex tunc-toetsing). Verweerder had deze stukken niet tot zijn beschikking op het moment van het bestreden besluit, en de documenten dateren ook van na het bestreden besluit. Daarnaast kunnen de stukken niet worden gezien als een nadere onderbouwing van eerder door eiser ingenomen stellingen. De rechtbank zal de stukken van 26 juni 2020 daarom niet meenemen in haar beoordeling.
7. Op grond van artikel 3, tweede lid, van het Besluit geslachtsnaamswijziging moet voor een verzoek tot geslachtsnaamswijziging de wettelijk vertegenwoordiger wiens geslachtsnaam wordt verzocht minstens 5 aaneengesloten jaren voorafgaand aan het verzoek de minderjarige hebben verzorgd en opgevoed.
In artikel 3, vierde lid, onder d, sub 2e is bepaald dat als de andere ouder geen toestemming geeft, het verzoek wordt afgewezen, tenzij de verzoeker aantoont dat het kind en de andere ouder niet meer dan voor een vierde deel van de periode voorafgaand aan de verzorgingstermijn in gezinsverband hebben samengeleefd.
8. In deze zaak gaat het specifiek om de vraag of eiser medio april 2011 nog met [C] in gezinsverband samenleefde. Als wordt uitgegaan van de adresgegevens uit de basisregistratie personen (BRP), dan zou geconcludeerd moeten worden dat eiser tot november 2011 nog met [C] op hetzelfde adres woonde, en dat daarom aan bovenstaande voorwaarde niet wordt voldaan. De rechtbank oordeelt echter dat verweerder heeft mogen beslissen dat de moeder heeft aangetoond dat eiser en zij vanaf medio april 2011 al feitelijk niet meer samenwoonden en dat eiser vanaf toen dus ook niet meer in gezinsverband samenleefde met [C] . Verweerder heeft hierbij betekenis mogen toekennen aan de schriftelijke verklaring van eiser d.d. 16 april 2014 en de daarop gebaseerde beslissing van de belastingdienst. Dat het niet zijn handtekening is onder de verklaring, heeft eiser niet onderbouwd.
9. Verweerder heeft daarnaast ook aan eiser kunnen tegenwerpen dat in de uitspraak van de rechtbank d.d. 8 maart 2016 (over de omgangsregeling) ook als uitgangspunt is genomen dat eiser en de moeder vanaf medio april 2011 niet meer samenwoonden. Dit blijkt ook met zoveel woorden uit de conclusie van antwoord/conclusie van eis in reconventie van de advocaat van eiser, die de moeder in de onderhavige beroepsprocedure heeft overgelegd. Eiser heeft zich dus niet alleen jegens de belastingdienst, maar ook jegens de rechtbank in de familierechtelijke procedure zelf op het standpunt gesteld dat hij vanaf medio april 2011 niet meer in gezinsverband samenleefde met de moeder (en [C] ).
10. De stukken die eiser heeft overgelegd zijn niet voldoende om het tegendeel aannemelijk te maken. Deze stukken, van onder meer T-mobile, de belastingdienst en eisers eenmanszaak, hebben betrekking op de periode tussen medio april 2011 en november 2011. Hierop staat telkens nog het ‘oude’ adres. Dit toont echter hooguit aan dat eiser nog tot november 2011 op het oude adres stond ingeschreven, maar niet dat hij daar feitelijk ook nog woonde. De overgelegde facebookconversatie toont deze samenwoning ook onvoldoende aan. Daaruit kan mogelijk worden afgeleid dat eiser en de moeder nog wel eens afspraken, maar niet meer dan dat.
11. Volgens vaste rechtspraak moet verweerder het verzoek om geslachtsnaamswijziging beoordelen aan de hand van de van toepassing zijnde regelgeving en moet hij, ook in het geval daaraan wordt voldaan, bij de uitoefening van die bevoegdheid alle relevante feiten en rechtstreeks betrokken belangen betrekken.
12. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er geen aanwijzingen zijn dat de geslachtsnaamswijziging niet in het belang van [C] is. Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder zich rekenschap gegeven van de feiten en omstandigheden die bij de belangenafweging moeten worden betrokken. Verweerder heeft in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan het familie- en gezinsleven tussen de moeder en [C] dan aan de bedenkingen van eiser.
13. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Ruizendaal-van der Veen, griffier, op 23 juli 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT7420.