Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2017-03-23
ECLI:NL:RBMNE:2017:1435
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,948 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 15/5377-T
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 maart 2017 in de zaak tussen
[eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] , [eiser 7] , [eiser 8] , [eiser 9] , [eiser 10] , [eiser 11] en [eiseres 12], allen te [woonplaats] , eisers
(gemachtigden: mr. R.J.Th. Vos en mr. P.M.L. Schilder Spel),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, verweerder
(gemachtigde: mr. drs. H. Maaijen)
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: gemeente Amersfoort (gemachtigde: mr. drs. H. Maaijen)
Procesverloop
Bij besluit van 2 april 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de gemeente Amersfoort (hierna: vergunninghouder) op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder b en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van het profiel van de [straatnaam] ter hoogte van de rotonde, plaatselijk bekend [straatnaam] ( [straatnaam] / [straatnaam] ) te Amersfoort (hierna: de rotonde).
Bij besluit van 3 september 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, welk beroep is geregistreerd onder nummer UTR 15/5377.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Bij besluit van eveneens 2 april 2015 heeft verweerder tevens een verkeersbesluit genomen. Ook tegen dat besluit hebben eisers bezwaar gemaakt, welk bezwaar door verweerder bij besluit van 7 september 2015 ongegrond is verklaard.
Het door eisers tegen dat besluit ingestelde beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer UTR 15/5379. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2016. Het beroep is gelijktijdig behandeld met de beroepen UTR 15/5379, UTR 15/5400 en UTR 15/5482. Eisers [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 7] en [eiser 9] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. De eisers in de beroepszaken UTR 15/5400 en UTR 15/5482 hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens is namens eisers als deskundige verschenen [A] , werkzaam bij [adviesbureau] B.V. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door ing. [B] en ing. [C] . Derde-partij is verschenen bij zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
Voor de aanleg van het tweede deel van de [straatnaam] , een verbindingsweg tussen het Centraal Stadsgebied en de A28 bij Leusden-Zuid, heeft de raad van de gemeente Amersfoort op 9 december 2008 gekozen voor een variant in verkeersafwikkeling via de [straatnaam] met daaraan gekoppeld het instellen van eenrichtingsverkeer op onder meer de [straatnaam] .
Op 15 maart 2011 heeft de raad van de gemeente Amersfoort de hiervoor benodigde inrichting van fase twee van de [straatnaam] en de daarop aansluitende wegen vastgelegd in het bestemmingsplan […] .
Het voorziene tracé begint bij de [straatnaam] , in het verlengde van het in 2000 reeds gerealiseerde deel van de [straatnaam] , en loopt onder de rotonde met een aftakking bij ijssalon [naam] tot aan de aansluiting op de A28.
In het bestemmingsplan is uitgegaan van de inrichting van het gebied volgens de in 2008 gemaakte keuze voor eenrichtingsverkeer. Op 19 februari 2014 heeft verweerder vervolgens een verkeersbesluit genomen ter invoering van de voor eenrichtingsverkeer benodigde verkeersmaatregelen (ook bekend als variant 2).
2. Naar aanleiding van een massaal protest (ongeveer 750 bezwaarschriften) tegen dit verkeersbesluit, heeft de gemeenteraad op 4 maart 2014 een motie aangenomen. Daarin is verweerder opgedragen te onderzoeken in hoeverre de afrit bij de […] met het daaraan gekoppelde eenrichtingsverkeer noodzakelijk is voor de verkeersdoorstroming, waarbij de gevolgen voor de leefomgeving van de omwonenden mee moeten worden genomen. Omdat door het aanvullend onderzoek niet tijdig op de vele bezwaren kon worden besloten, heeft verweerder het verkeersbesluit van 19 februari 2014 ingetrokken.
Verweerder heeft vervolgens onderzoek verricht naar zeven verkeersvarianten; de inrichting zoals neergelegd in het bestemmingsplan uit 2011 is daarin variant 2. Uit dit onderzoek is variant 5, met als uitgangspunt volledig tweerichtingsverkeer, als beste naar voren gekomen. Op verzoek van de gemeenteraad heeft verweerder vervolgens aanvullend onderzoek verricht naar variant 5 en de door een aantal bewoners naar voren gebrachte variant 4+. De gemeenteraad heeft op basis van de uitkomsten hiervan gekozen voor variant 5. In die variant dient de rotonde bij de aansluiting op de [straatnaam] te zijn ingericht als een rijbaan met verkeer in twee richtingen (verder: het inrichtingsplan).
3. Bij uitvoering van het inrichtingsplan zullen delen van de in het bestemmingsplan op de rotonde voorziene groenstroken aan de zijde van de [straatnaam] niet worden gerealiseerd, maar ingericht worden als (deel van de) rijbaan. Het betreft twee delen van de in het bestemmingsplan voorziene groenstrook ter grootte van ongeveer 30 m² en 15 m² . Omdat dit niet past binnen (de inrichting zoals neergelegd in) het bestemmingsplan, heeft verweerder bij besluit van 2 april 2015 de omgevingsvergunning, zoals omschreven onder ‘Procesverloop’, verleend. Tegen dit besluit is door eisers bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij het bestreden besluit ongegrond is verklaard.
4. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan […] . Op grond van de verbeelding bij het bestemmingsplan rust op de rotonde deels de bestemming ‘Groen’ en deels de bestemming ‘Verkeer’.
Artikel 3.1 van de planregels bepaalt dat de voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. groenvoorzieningen, bermen, beplantingen en plantsoenen;
b. waterhuishoudkundige voorzieningen, watergangen en -partijen inclusief de daarbij behorende onderhoudspaden en/of -stroken, met inachtneming van de keur van het waterschap;
c. behoud en ontwikkeling van het leefgebied voor de Hazelworm, ter plaatse van het aanduidingsvlak ‘specifieke vorm van groen - leefgebied Hazelworm (sg-lh)’;
c. speelvoorzieningen;
d. voet- en fietspaden;
e. in- en uitritten uitsluitend voor zover deze noodzakelijk zijn voor het bereiken van de (aangrenzende) percelen;
f. tunnelbak ter plaatse van het aanduidingsvlak ‘tunnel (tu)’;
g. geluidwerende voorzieningen ter plaatse van het aanduidingsvlak ‘geluidscherm (gs)’.
h. bij een en ander horende voorzieningen, waaronder begrepen nutsvoorzieningen;
Artikel 3.3.3 van de planregels bepaalt dat burgemeester en wethouders bij omgevingsvergunning kunnen afwijken van het bepaalde in artikel 3.1 teneinde wegen en parkeervoorzieningen toe te staan, met inachtneming van de volgende voorwaarden:
a. de afwijking is noodzakelijk ten behoeve van een optimale verkeersafwikkeling dan wel in verband met de parkeerbehoefte binnen het gebied;
b. de verkeersveiligheid in het gebied mag niet in het gedrang komen;
c. een toename van de aantasting van het woon- en leefklimaat is niet toegestaan;
d. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan het ruimtelijk beeld van het openbaar (groen)gebied;
e. er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan het gebruik van belendende percelen.
5. De rechtbank stelt vast en tussen partijen is niet in geschil dat het inrichtingsplan in strijd is met het bestemmingsplan, omdat ingevolge artikel 3.1 van de planregels ter plaatse van de bestemming ‘Groen’ een weg niet is toegestaan. Om dit niettemin mogelijk te maken, heeft verweerder gebruik gemaakt van de in artikel 3.3.3 van de planregels geboden mogelijkheid tot afwijking, waarbij verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat voldaan is aan de in dat artikel onder a. tot en met e. opgenomen voorwaarden.
6. Als meest verstrekkende beroepsgrond hebben eisers, allen woonachtig in de [straatnaam] dan wel [straatnaam] , betoogd dat artikel 3.3.3 van de planregels in dit geval buiten toepassing moet worden gelaten wegens strijd met het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Eisers hebben dit betoog gemotiveerd door te stellen dat met het toestaan van wegen op de voor ‘Groen’ bestemde gronden feitelijk een andere bestemming op de gronden wordt gelegd. Naar de mening van eisers is sprake van een planologisch relevante wijziging van de bestemming, nu de wijziging er toe strekt een extra afrit op de rotonde mogelijk te maken, hetgeen een grote ruimtelijke impact heeft op de directe omgeving.
7. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels, bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels. De in artikel 3.3.3 van de planregels neergelegde afwijkingsbevoegdheid vindt haar grondslag in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro.
Voor het, bij wijze van exceptieve toetsing, buiten toepassing laten van een planvoorschrift wegens strijd met dit artikel is slechts plaats indien de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid een wijziging van het gebruik mogelijk maakt die leidt tot een planologisch relevante wijziging van de bestemming, dan wel indien die bepaling voorziet in een afwijkingsmogelijkheid zonder enige beperking (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:242).
8. De rechtbank is met eisers van oordeel dat de in artikel 3.3.3 neergelegde afwijkingsmogelijkheid een gebruikswijziging mogelijk maakt die, gelet op vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van de ABRS van 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:454), moet worden aangemerkt als een planologisch relevante wijziging van de voor “Groen” bestemde gronden. Toepassing van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid leidt er immers toe dat de op de rotonde voorziene groenstroken aan de zijde van de [straatnaam] voor een deel worden ingericht als rijbaan. Zonder die inrichting en dus zonder de met toepassing van artikel 3.3.3 van de planregels verleende omgevingsvergunning is het onmogelijk om met een motorvoertuig vanaf de rotonde de [straatnaam] in te rijden.
Dictum
De rechtbank,
stelt verweerder in de gelegenheid:
- om binnen twee maanden na verzending van deze tussenuitspraak, het geconstateerde gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak,
of
- om binnen twee weken na verzending van deze tussenuitspraak aan de rechtbank mede te delen dat van deze geboden mogelijkheid geen gebruik wordt gemaakt;
en houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze tussenuitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, voorzitter, en mr. R.C. Stijnen en
mr. B. Rademaker, leden, in aanwezigheid van W.B. Lakeman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2017.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.