Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2016-05-23
ECLI:NL:RBMNE:2016:2785
Bestuursrecht
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 14/6473-T tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2015 in de zaak tussen [eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. H.A. Pasveer), en Bureau Veritas Inspection en Certification The Netherlands B.V., verweerster (gemachtigde: mr. T.H. Liebregts). Verweerster heeft bij besluit van 10 september 2014 (het primaire besluit) het certificaat SC-530 van eiseres met ingang van 15 september 2014 onvoorwaardelijk ingetrokken. Dit betekent dat eiseres vanaf die datum geen asbestwerkzaamheden meer mag uitvoeren waarvoor een SC-530 certificaat verplicht is. Bij besluit van 30 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en de heren [A] en [B] . De rechtbank: - draagt verweerster op binnen twee weken aan de rechtbank mee te delen of zij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen; - stelt verweerster in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak; - houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Pavićević, rechter, in aanwezigheid van mr. E.J.M. Vogel-Janssen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2015. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak. 1. Verweerster is door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) aangewezen als een certificerings- en keuringsinstelling (CKI) voor asbestverwijdering conform het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het Procescertificaat Asbestverwijdering (document SC-530; Stcrt. 2011, nr. 22513; hierna: SC-530). Verweerster heef eiseres gecertificeerd als certificaathouder SC-530. Volgens paragraaf 5.5 van SC-530 dient de CKI, indien blijkt dat een certificaathouder en de onder zijn verantwoordelijkheid voor te bereiden en uit te voeren processen niet of niet meer voldoen aan de eisen of normen in het SC-530, de sancties die zijn voorgeschreven in dit schema op te leggen. Bij de constatering van de afwijkingen en de toepassing van sancties dient de CKI dwingend tabel 5.5.3 (Bijlage H) toe te passen. In paragraaf 5.5.2.1 van SC-530 is bepaald dat, indien door de certificatie-instelling wordt geconstateerd dat een certificaathoudend asbestverwijderingsbedrijf een afwijking begaat volgens de in tabel 5.5.3 (Bijlage H) opgenomen bepalingen, dan wordt door de certificatie-instelling het certificaat van de certificaathouder (on-) voorwaardelijk ingetrokken of geschorst of ontvangt de certificaathouder een waarschuwing. Volgens paragraaf 5.5.2.3 van SC-530 worden bij de toepassing van het hierboven onder paragraaf 5.5.2.1 en 5.5.2.2 bedoelde, de volgende verzwaringen toegepast: • Indien tijdens een controle of onderzoek drie of meer afwijkingen, niet zijnde afwijkingen uit Categorie 1, uit één categorie worden geconstateerd, dan worden deze drie of meer afwijkingen beschouwd als zijnde één afwijking uit de naastgelegen, hogere (zwaardere) Categorie; • Indien binnen een periode van één jaar zesmaal een afwijking van Categorie II, III, of IV is vastgesteld, dan wordt de zesde afwijking beschouwd als zijnde een afwijking uit de naastgelegen, hogere (zwaardere) Categorie. Dit betekent dat bij elke afwijking van Categorie II, III, of IV bepaald dient te worden of er in het jaar voorafgaand aan deze afwijking vijfmaal een afwijking van Categorie II, III, of IV is vastgesteld. • Indien op een bepaald moment meerdere feiten worden geconstateerd die in verschillende van de onder par. 5.5.2.1 en 5.5.2.2 genoemde categorieën vallen, dan zal het feit uit de zwaarste categorie bepalend zijn voor de door de certificatie-instelling te treffen sanctie. Blijkens Bijlage I in SC-530 zijn de afwijkingen ingedeeld in Categorieën, waaraan één van de genoemde herstelsancties is verbonden: Categorie I - onvoorwaardelijke intrekking Categorie II - schorsing Categorie III - voorwaardelijke intrekking Categorie IV - waarschuwing 2. Verweerster heeft met betrekking tot eiseres in de periode 10 augustus 2013 en 9 juli 2014 zes maal een categorie II-afwijking en zes maal een categorie III-afwijking vastgesteld. Verweerster heeft in de periode augustus 2013 tot juli 2014 zes brieven gestuurd naar eiseres waarin melding werd gemaakt van deze door verweerster gestelde categorieafwijkingen. Eiseres heeft geen bezwaar of beroep ingesteld tegen de zes brieven. 3. Bij het primaire besluit heeft verweerster het certificaat SC-530 van eiseres met ingang van 15 september 2014 onvoorwaardelijk ingetrokken, omdat verweerster met betrekking tot eiseres binnen één jaar zes maal een categorie II-afwijking en zes maal een categorie III-afwijking heeft vastgesteld. Op basis van de zes (en met doorescalatie zeven) categorie II-afwijkingen binnen één jaar past verweerster de escalatieladder toe en komt zij tot een categorie I-afwijking. 4. Eiseres heeft een bezwaarschrift ingediend tegen het primaire besluit en gemotiveerd betwist dat er sprake was van categorieafwijkingen. 5. Verweerster heeft in het bestreden besluit het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Hierbij heeft verweerster zich op het standpunt gesteld dat de zes brieven die in de periode 10 augustus 2013 en 9 juli 2014 aan eiseres zijn gestuurd, aangemerkt moeten worden als besluiten in de zin van de artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat eiseres geen bezwaar of beroep heeft ingesteld tegen deze zes brieven, zijn die besluiten volgens verweerster onherroepelijk. De vraag of er daadwerkelijk sprake was van categorieafwijkingen is daarom volgens verweerster niet meer relevant. Verweerster heeft zich in dit verband gebaseerd op het Advies van de Bezwaarschriftencommissie van 24 oktober 2014. 6. Eiseres heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de zes brieven uit de periode augustus 2013 tot juli 2014 geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Verweerster had daarom in het bestreden besluit inhoudelijk in moeten gaan op de betwisting door eiseres van de gestelde categorieafwijkingen. Nu verweerster dit heeft nagelaten is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd. 7. De rechtbank stelt vast dat de brieven die verweerster in de periode augustus 2013 tot juli 2014 heeft gestuurd, slechts de constateringen van categorieafwijkingen II en III betreffen. De rechtbank moet de vraag beoordelen of die brieven kunnen worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. In dat artikellid is bepaald dat onder een besluit wordt verstaan, een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. 8. De vraag die voorligt is dus of de constateringen van de categorieafwijkingen II en III publiekrechtelijke rechtsgevolgen hebben. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat de gevolgen van de categorieafwijkingen II en III volgens document SC-530 kunnen bestaan uit een verzwaring van de categorie, in die zin dat indien binnen een periode van één jaar zesmaal een afwijking van categorie II, III, of IV is vastgesteld, de zesde afwijking wordt beschouwd als zijnde een afwijking uit de naastgelegen, hogere (zwaardere) categorie. Na de constatering van de afwijking vindt er door verweerster een beoordeling plaats van de corrigerende maatregelen die de certificaathouder na de constatering heeft getroffen. Aan de hand van die beoordeling legt verweerster al dan niet een herstelsanctie op. Naar het oordeel van de rechtbank treedt dus met de constatering van de afwijking alléén geen rechtsgevolg in, aangezien dat rechtsgevolg pas intreedt indien verweerster na de beoordeling van de herstelmaatregelen een herstelsanctie van de categorieën I of II oplegt. De oplegging van een dergelijke herstelsanctie vergt dus een aparte beoordeling en beslissing van verweerster. De enkele vaststelling van een categorieafwijking II of III brengt geen verandering in de rechtspositie van eiseres in de zin dat rechten worden ontnomen of toegekend. De rechtbank heeft bij het voorgaande aansluiting gezocht bij de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dat een waarschuwing over het algemeen geen voorwaarde is om tot intrekking van een verleende vergunning over te gaan omdat de waarschuwing zelf geen rechtsgevolg heeft (zie ABRvS van 16 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU4598). 9. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de zes brieven uit de periode augustus 2013 tot juli 2014 geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb zodat pas bij de intrekking van het certificaat de bezwaren tegen de categorieafwijkingen aan de orde gesteld kunnen worden. Het standpunt van verweerster dat in een dergelijk geval eiseres slechts ten aanzien van drie geconstateerde categorieafwijkingen in zijn beroep ontvankelijk verklaard kan worden omdat 1) eiseres bij het voornemen tot intrekking tegen slechts drie afwijkingen zienswijzen heeft ingediend en 2) eiseres ten aanzien van de overige afwijkingen pas tijdens de hoorzitting op 17 oktober 2014 haar bezwaren kenbaar heeft gemaakt, volgt de rechtbank niet.