Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2015-06-08
ECLI:NL:RBMNE:2015:4057
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,542 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 15/414
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juni 2015 in de zaak tussen
[eiseres] te [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. drs. A.H. Bolle),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. W. van Beveren).
Procesverloop
Bij besluit van 15 september 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder, voor zover thans nog van belang, over de periode 24 maart 2015 tot en met 23 maart 2017 hulp bij het huishouden aan eiseres toegekend voor 78 uur per jaar.
Bij besluit van 11 december 2014 (het bestreden besluit), door verweerder bekrachtigd bij brief van 25 maart 2015, heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2015. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en haar dochter [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiseres, geboren in 1943, voert een eenpersoonshuishouden in een gelijkvloers tweekamerappartement. In 1991 heeft eiseres een auto-ongeluk gehad. Dit heeft geresulteerd in een aantal lichamelijke klachten, waaronder een verminderd korte termijngeheugen, problemen met het rechteroog (dubbel zien, geen diepte en afstanden kunnen inschatten), pijn in bekken en heup, krachtverlies aan de rechterzijde van het lichaam en een verminderde coördinatie tussen links en rechts, met evenwichtsproblemen als gevolg. Bij besluit van 16 september 2009 is eiseres, op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), geïndiceerd voor hulp bij het huishouden voor 3 uur per week (hh1) over de periode van 16 september 2009 tot en met 15 september 2014. De dochters van eiseres leveren wekelijks mantelzorg.
2. Verweerder heeft eiseres bij bestreden besluit, voor zover hier relevant, in aanmerking gebracht voor 78 uur per jaar hulp bij het huishouden over de periode 24 maart 2015 tot en met 23 maart 2017. Volgens verweerder kan met deze voorziening het resultaat van een schoon huis worden bereikt. Verweerder ziet geen aanleiding om eiseres te indiceren voor aanvullende maatwerkvoorzieningen.
3. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat zowel het primaire besluit als het bestreden besluit zijn gebaseerd op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). De rechtbank stelt vast dat beide besluiten zijn genomen voorafgaand aan 1 januari 2015, de datum waarop artikel 2.1.1 van de Wmo 2015, in welk artikel verweerder de opdracht heeft gekregen om zorg te dragen voor de maatschappelijke ondersteuning onder de Wmo 2015, in werking is getreden. Daarmee rijst de vraag of sprake is van strijd met het legaliteitsbeginsel. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij brief van 25 maart 2015 het bestreden besluit heeft bekrachtigd. Uit de toelichting van verweerder ter zitting is gebleken dat verweerder hiermee heeft bedoeld te formaliseren dat het besluit op bezwaar is genomen onder het regime van de Wmo 2015. De rechtbank begrijpt dit aldus dat verweerder de bedoeling heeft gehad om toepassing te geven aan artikel 6:19 van de Awb en het bestreden besluit te wijzigen in die zin dat het is genomen onder de werking van de Wmo 2015. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat zij, mede gezien deze bekrachtiging, het bestreden besluit beschouwt als te zijn genomen onder de werking van de Wmo 2015. Tegen deze achtergrond bezien, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat nog langer sprake is van schending van het legaliteitsbeginsel.
4. Verweerder heeft, zoals de Wmo 2015 voorschrijft, de Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015 vastgesteld. Daarnaast heeft verweerder de Beleidsregels Wmo 2015 vastgesteld. Verweerder heeft – kort gezegd – in de Beleidsregels de maatwerkvoorziening “collectieve voorziening schoon huis” opgenomen. Deze maatwerkvoorziening omvat het lichte en zware schoonmaakwerk en het wassen en drogen van grote/zware spullen. Verweerder heeft deze voorziening vastgesteld op maximaal 78 uur per jaar. Wanneer een belanghebbende onvoldoende ondersteund wordt door deze voorziening, kunnen maatwerkmodules ingezet worden.
5. Eiseres heeft aangevoerd dat de collectieve voorziening van 78 uur per jaar ontoereikend is. Voor zover eiseres daarmee heeft willen betogen dat de Beleidsregels onredelijk zijn, verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van 9 maart 2015 (ECLI:NL:RBMNE:2015:1395) waarin is geoordeeld dat verweerder in redelijkheid dit beleid heeft kunnen vaststellen. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd leidt de rechtbank in deze procedure niet tot een ander oordeel.
6. Eiseres heeft verder aangevoerd dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht. Volgens eiseres is er onvoldoende onderzoek gedaan naar haar behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren. Zij verwijst hiertoe naar artikel 2.3.2 van de Wmo 2015. Volgens eiseres had zij in persoon gezien moeten worden. Eiseres heeft verwezen naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 9 december 2014 (ECLI:NL:RBNNE:2014:6176).
7. Volgens verweerder gaat de vergelijking met de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland niet op, nu hier geen sprake is van een volledige stopzetting en de huishoudelijke hulp ook niet vóór het aflopen van de indicatie is beëindigd of verminderd. Verder acht verweerder het onderzoek wel toereikend. Eiseres heeft noch in de primaire fase, noch in de bezwaarfase argumenten naar voren gebracht op grond waarvan een maatwerkvoorziening zou moeten worden geleverd. Verder is niet gebleken van een gewijzigde medische situatie, aldus verweerder.
8. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat het onderzoek van verweerder onvoldoende zorgvuldig is geweest. Dat het onderzoek van verweerder onzorgvuldig is geweest, omdat het enkel heeft bestaan uit het voeren van één telefoongesprek met eiseres, volgt de rechtbank niet. Hiertoe is van belang dat uit het dossier blijkt dat verweerder ook al eerder bij hem bekend zijnde informatie over eiseres bij zijn beoordeling heeft betrokken. Verder is van belang dat in het verslag van het telefoongesprek van 15 september 2014 onder het kopje “Uitvragen: Is de situatie gewijzigd?” onder meer is opgenomen dat de situatie niet is gewijzigd en dat hulp nodig is voor zwaar huishoudelijk werk en hoog licht huishoudelijk werk. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat haar situatie desondanks zodanig is gewijzigd dat op verweerder de verplichting rustte om een medisch onderzoek te (laten) uitvoeren. Tegen die achtergrond bezien, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van schending van artikel 2.3.2. van de Wmo 2015. De verwijzing van eiseres naar de onder 5. genoemde uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. In die uitspraak was immers sprake van een andere feitelijke situatie.
9. Eiseres heeft verder aangevoerd dat zij in aanmerking behoort te komen voor aanvullende modules, namelijk voor 1A (een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren), 1B (het klaarzetten of bereiden van primaire levensbehoeften), 1C (beschikken over schone kleding) en 2E (het organiseren van huishoudelijke taken).
Over module 1A
10. De rechtbank stelt vast dat in verweerders beleid is bepaald dat “De aanleiding voor de inzet van deze module kan zijn de ernstige fysieke beperkingen waardoor de persoon geen mogelijkheden heeft zelf enige huishoudelijke werkzaamheden te verrichten of medische beperkingen waaruit een meer dan gebruikelijke hygiëne noodzakelijk is of medische beperkingen die leiden tot een snellere vervuiling van het huis.”.De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat eiseres niet zodanig ernstig fysieke beperkingen heeft, dat zij geen mogelijkheden heeft zelf enige huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Evenmin is in geschil dat sprake is van medische beperkingen die maken dat een meer dan gebruikelijke hygiëne noodzakelijk is of die leiden tot een snellere vervuiling van het huis. De rechtbank concludeert dan ook dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor maatwerkmodule 1A, een hoger niveau van schoonhouden.Over module 1B
11. Uit verweerders beleid blijkt dat deze module is bedoeld voor maaltijdverzorging, waaronder wordt verstaan het verzorgen van de broodmaaltijd, koffie en thee zetten en een warme maaltijd opwarmen. Uit hetgeen is besproken ter zitting blijkt dat eiseres niet bestrijdt dat zij zelf de broodmaaltijd kan verzorgen, koffie en thee kan zetten en veelal zelf ook de warme maaltijd bereidt. Eiseres heeft verklaard dat zij, op dagen waarop zij zich veel heeft ingespannen, soms niet meer de energie heeft om te koken.
De rechtbank overweegt dat eiseres daarmee niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor toekenning van deze maatwerkmodule.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.R. Docter, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.F.C. Vogel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2015.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.