Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2014-03-05
ECLI:NL:RBMNE:2014:747
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,092 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/16/357637 / HA RK 13-320
Beschikking van 5 maart 2014
in de zaak van
1.[verzoeker sub 1],
wonende te [woonplaats],
2. [verzoekster sub 2],
wonende te [woonplaats],
verzoekers,
advocaat mr. J. de Haan te Utrecht
tegen
DE GRIFFIER VAN DE RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND,
gevestigd te Utrecht,
verweerder.
Partijen zullen hierna ook [verzoeker sub 1], [verzoekster sub 2] en de griffier genoemd worden.
Beoordeling
1.1. Mr. J. de Haan, werkzaam bij BDH Advocaten, heeft op 19 november 2013 ter griffie van deze rechtbank namens verzoekers een verzoekschrift ingediend. Bij dat verzoekschrift komt mr. De Haan overeenkomstig artikel 29 van de Wet Griffierechten Burgerlijke Zaken (WGBZ) in verzet tegen het door de griffier in rekening gebrachte griffierecht in procedure 2233555 UC EXPL 13-12186. Dit griffierecht (ten bedrage van
€ 448,00) is op 11 september 2013 voldaan.
1.2. Mr. De Haan heeft bij de dagvaarding in bovengenoemde procedure een door de Raad voor Rechtsbijstand verleende toevoeging overgelegd, ten behoeve van [verzoekster sub 2] (eiseres sub 2 in de dagvaardingsprocedure). Een toevoeging ten behoeve van
[verzoeker sub 1], (eiser sub 1 in de dagvaardingsprocedure, tevens echtgenoot van [verzoekster sub 2]) werd niet overgelegd.
1.3. Artikel 15 WGBZ lid 1 en 2 luiden:
1. Van partijen die bij dezelfde advocaat of gemachtigde verschijnen en gelijkluidende conclusies nemen of gelijkluidend verweer voeren, wordt slechts eenmaal een gezamenlijk griffierecht geheven. Hetzelfde geldt voor verzoekers en belanghebbenden die bij dezelfde advocaat of gemachtigde verschijnen en gelijkluidende verzoekschriften of verweerschriften indienen.
2. Indien tot partijen of tot verzoekers of belanghebbenden als bedoeld in het eerste lid, zowel natuurlijke personen als niet-natuurlijke personen behoren, wordt het griffierecht geheven dat niet-natuurlijke personen verschuldigd zijn. Behoren tot degenen bedoeld in het eerste lid, zowel onvermogenden als anderen, dan wordt het griffierecht geheven dat deze laatsten verschuldigd zijn.
1.4. De griffier heeft, gelet op artikel 15 WGBZ lid 2, de eisende partijen gekenmerkt als zijnde één onvermogend natuurlijk persoon (met toevoeging) en één natuurlijk persoon zonder toevoeging. Het griffierecht (geldend voor beide personen) is derhalve vastgesteld op
het griffierecht voor anderen dan onvermogenden: € 448,00.
1.5. Mr. De Haan heeft vervolgens bij de Raad voor Rechtsbijstand een aanvraag om een toevoeging voor de heer [verzoeker sub 1] ingediend. Deze aanvraag is afgewezen, omdat
– volgens de Raad – dat verzoek betrekking heeft “op een rechtsbelang terzake waarvan aanspraak kan worden gemaakt op rechtsbijstand op grond van de eerder verstrekte toevoeging (…). De Raad voor Rechtsbijstand is van mening dat de werkzaamheden vallen onder het bereik van deze eerder verstrekte toevoeging (art. 28 lid 1 sub b / art. Wrb).”
1.6. De Raad van State heeft in een uitspraak van 23 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9229, geoordeeld dat bij echtgenoten alleen afzonderlijke toevoegingen moeten worden verleend, indien zij zelfstandig, van elkaar te onderscheiden, rechtsbelangen hebben. Niet gesteld of gebleken is dat daarvan in het onderhavige geval sprake is. Dit betekent dat de heer [verzoeker sub 1] moet worden geacht te vallen onder de aan zijn echtgenote [verzoekster sub 2] verleende toevoeging. De griffier had er bij de vaststelling van het griffierecht vanuit moeten gaan dat aan beide echtelieden een toevoeging was verstrekt.
1.7. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de griffier van deze rechtbank ten onrechte een griffierecht van € 448,00 in rekening heeft gebracht, in plaats van de verschuldigde € 75,00. De rechtbank zal derhalve het verzet gegrond verklaren.
Dictum
De rechtbank:
3.1. verklaart het verzet gegrond;
3.2. draagt de griffier van deze rechtbank op om het teveel in rekening gebrachte griffierecht ad. € 373,00 aan verzoekers te retourneren.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2014.