Rechtspraak Rechtbank Limburg 2026-07-15
ECLI:NL:RBLIM:2026:7477
Voornaamswijziging. verzoekster woont in het buitenland. verwijzing naar de restrechter Den Haag. 269 Rv RECHTBANK LIMBURG Familie- en Jeugdrecht Zaaknummer: C/03/353506 / FA RK 26-1458 Datum uitspraak: 15 juli 2026 Beschikking verwijzing in de zaak van [de vrouw] , hierna te noemen de vrouw, wonend in [woonplaats] , advocaat mr. E. Sars uit Heerlen. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift van de vrouw met bijlage(n), ontvangen op 22 juni 2026. 2 De beoordeling 2.1. Doordat verzoekster in België woont, draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter. De rechtbank dient daarom eerst ambtshalve te onderzoeken of de Nederlandse rechter (in internationale zin) bevoegd is van het verzoek kennis te nemen. Nu verzoekster de Nederlandse nationaliteit bezit en haar geboorteakte in de Nederlandse registers van de burgerlijke stand voorkomt, komt aan de Nederlandse rechter op grond van artikel 3, aanhef en onder c, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) rechtsmacht toe. 2.2. Vervolgens ligt de vraag voor of deze rechtbank (in relatieve zin) bevoegd is van het verzoek tot voornaamswijziging kennis te nemen. Verzoekster heeft in dat verband gesteld dat deze rechtbank op grond van artikel 263 Rv bevoegd is van het verzoek kennis te nemen, omdat verzoekster geboren is in [plaats] en de geboorteakte, waaraan de beschikking van de rechtbank als latere vermelding moet worden toegevoegd, zich bevindt binnen het rechtsgebied van deze rechtbank. In artikel 263 Rv is een specifieke regeling opgenomen voor de bevoegdheid van de rechter in zaken, die uitsluitend betreffen de aanvulling van de registers van de burgerlijke stand of de inschrijving, doorhaling of wijziging van daarin in te schrijven of ingeschreven akten. In die zaken is bevoegd de rechter binnen wiens rechtsgebied de akte is of moet worden ingeschreven. De onderhavige zaak tot wijziging van de voornaam van verzoekster kan echter niet worden aangemerkt als een zaak als bedoeld in artikel 263 Rv. De relatieve bevoegdheid moet in deze procedure getoetst worden aan de hand van de hoofdregel van artikel 262, aanhef en onder a, Rv. Daarin staat dat de rechter van de woonplaats of het werkelijk verblijf van verzoekster bevoegd is. Aangezien verzoekster in België woont, leidt dat tot de conclusie dat er geen bevoegde rechter wordt aangewezen. Haar “settled status” voor het Verenigd Koninkrijk maakt dat overigens niet anders. Voor deze situatie heeft de wetgever in artikel 269 Rv bepaald dat de rechter in Den Haag bevoegd is. 2.3. De rechtbank Limburg verklaart zich daarom onbevoegd en verwijst de zaak in de stand waarin die zich nu bevindt naar de rechter die wel bevoegd is, namelijk de rechtbank Den Haag. 3 De beslissing De rechtbank: 3.1. verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek; 3.2. verwijst de zaak in de stand waarin die zich nu bevindt naar de rechtbank Den Haag. Deze beschikking is gegeven door mr. dr. Van Binnebeke, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. Groen-Witvliet, griffier, op 15 juli 2026. Artt. 269 en 270 lid 1 Rv.