Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-01-14
ECLI:NL:RBLIM:2026:721
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
7,462 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:721 text/xml public 2026-01-29T12:04:32 2026-01-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-01-14 11394809 \ CV EXPL 24-5650 Uitspraak Bodemzaak NL Maastricht Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:721 text/html public 2026-01-27T10:48:21 2026-01-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:721 Rechtbank Limburg , 14-01-2026 / 11394809 \ CV EXPL 24-5650 Betwisting afrekening energiekosten. RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 11394809 \ CV EXPL 24-5650 Vonnis van 14 januari 2026 in de zaak van 1 [eisende partij 1], te [plaats 1], 2. [eisende partij 2] , te [plaats 1], eisende partijen, hierna samen te noemen: [eisende partijen], gemachtigde: Van Lith Gerechtsdeurwaarders en Incasso, tegen 1 [gedaagde partij 1], te [plaats 2], [gemeente], 2. [gedaagde partij 2] , te [plaats 2], [gemeente], gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagde partijen], gemachtigde: mr. D.N. Lavain. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het exploot van dagvaarding van 23 oktober 2024 met producties 1 tot en met 7; - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 8; - de conclusie van repliek; - de conclusie van dupliek; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - de mondelinge behandeling van 18 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij [gedaagde partijen] niet in persoon zijn verschenen. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Met ingang van 15 januari 2021 huurden [gedaagde partijen] de zelfstandige woonruimte gelegen aan het [adres 1] te [plaats 2] (hierna: het gehuurde) van de rechtsvoorganger van [eisende partijen] De Algemene Bepalingen huurovereenkomst woonruimte, vastgesteld op 20 maart 2017 en gedeponeerd op 12 april 2017 bij de griffie van de rechtbank te Den Haag en daar ingeschreven onder nummer 2017.21 zijn van toepassing verklaard (hierna: de algemene bepalingen). Daarin is – voor zover relevant voor dit geschil – het volgende bepaald: “ Kosten, verzuim (…) 25.2 In alle gevallen waarin (ver)huurder een sommatie, een ingebrekestelling of een exploot aan (ver)huurder doet uitbrengen, of in geval van procedures tegen (ver)huurder om deze tot nakoming van de huurovereenkomst of huurder tot ontruiming te dwingen, is (ver)huurder verplicht alle daarvoor gemaakte kosten, zowel in als buiten rechte – met uitzondering van de ingevolge een definitieve rechterlijke beslissing door (ver)huurder te betalen proceskosten – aan (ver)huurder te voldoen, voor zover op de vergoeding van die kosten de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het Besluit incassokosten niet van toepassing is.” 2.2. Op of omstreeks 3 augustus 2021 hebben [eisende partijen] de eigendom verkregen van het gehuurde. 2.3. Op 15 september 2023 hebben [eisende partijen], [gedaagde partijen] en [B.V.] (hierna: [B.V.]), eigenaar van de onder het gehuurde gelegen frituur aan het [adres 2] te [plaats 2], een vaststellingsovereenkomst / addendum op oorspronkelijke huurovereenkomst gesloten. Daarin is – voor zover relevant voor dit geschil – het volgende bepaald: “ Verklaren te zijn overeengekomen als volgt: [eisende partijen] zal zorgen dat het gehuurde [adres 1] te [plaats 2]) zo spoedig mogelijk over een eigen aansluiting voor water en gas zal beschikken en zal daartoe alle benodigde inspanningen verrichten. (…) Totdat het gehuurde over een eigen aansluiting voor water en gas beschikt, zal [gedaagde partijen] de kosten voor zijn daadwerkelijk verbruik op maandelijkse basis voldoen. [B.V.] zal de daadwerkelijke kosten middels onderliggende bescheiden (documenten van de energieleveranciers) verstrekken aan [eisende partijen] en [eisende partijen] zal dit op zijn beurt aan [gedaagde partijen] verstrekken, waarna [gedaagde partijen] de kosten aan [eisende partijen] binnen vijf dagen zal voldoen. (…)” 2.4. Er is een tussenmeter geplaatst waarop [B.V.] het daadwerkelijke verbruik van het gehuurde kan aflezen. [B.V.] factureert dit aan [eisende partijen] 2.5. [eisende partijen] hebben aan [gedaagde partijen] facturen gestuurd ter zake van het verbruikte water en gas. 2.6. Bij brief van 11 juni 2024 hebben [eisende partijen] [gedaagde partijen] in de gelegenheid gesteld om de betalingsachterstand van € 3.049,97 binnen veertien dagen vanaf de dag na bezorging van die brief te voldoen en aangezegd dat bij niet-tijdige betaling € 430,30 aan incassokosten verschuldigd is en dit bedrag zal worden verhoogd met € 90,00 aan btw. 2.7. [gedaagde partijen] hebben zowel aan de facturen als aan de brief van 11 juni 2024 geen gevolg gegeven. 2.8. In september 2024 is een eigen aansluiting voor water en gas gerealiseerd ten behoeve van het gehuurde. 2.9. Ten tijde van de mondelinge behandeling is de huurovereenkomst beëindigd en verblijven [gedaagde partijen] niet meer in het gehuurde. 3 Het geschil 3.1. [eisende partijen] vorderen – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde partijen] hoofdelijk zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partijen] € 4.299,11 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten. Het bedrag van € 4.299,11 bestaat uit € 3.577,79 aan hoofdsom, € 584,16 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 137,16 aan wettelijke rente. 3.2. [eisende partijen] leggen aan hun vordering de stelling ten grondslag dat [gedaagde partijen] in gebreke zijn gebleven met tijdige betaling van het door hen verbruikte water en gas over de facturen van 26 november 2023 tot en met 24 september 2024. 3.3. [gedaagde partijen] voeren verweer. [gedaagde partijen] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partijen], dan wel tot afwijzing of matiging van de vorderingen van [eisende partijen], met voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partijen] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De kantonrechter is van oordeel dat de vorderingen van [eisende partijen] moeten worden toegewezen waarna [gedaagde partijen] worden veroordeeld in de proceskosten. Daartoe wordt als volgt overwogen. De hoofdsom 4.2. Het primaire verweer van [gedaagde partijen] dat zij op grond van de oorspronkelijke huurovereenkomst met de rechtsvoorganger van [eisende partijen] € 100,00 per maand moeten betalen voor gas en water slaagt niet. De door [eisende partijen] gevorderde hoofdsom ziet namelijk op door [gedaagde partijen] verbruikt water en gas in de periode waarin de vaststellingsovereenkomst / addendum op oorspronkelijke huurovereenkomst geldt. Weliswaar geldt op grond van artikel 7:226 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) dat [eisende partijen] als nieuwe verhuurder gebonden is aan afspraken tussen [gedaagde partijen] en hun voormalige verhuurder, maar dit eindigt zodra [eisende partijen] en [gedaagde partijen] andere afspraken maken en dat hebben zij op 15 september 2023 gedaan. [gedaagde partijen] hebben het bestaan van de vaststellingsovereenkomst / addendum en de inhoud van de daaruit voortvloeiende verbintenissen niet betwist. Daaronder is begrepen dat [gedaagde partijen] de kosten voor het daadwerkelijke verbruik op maandelijkse basis voldoen totdat het gehuurde over een eigen aansluiting voor water en gas beschikt. Dit betekent dat op hen de verplichting rust om te betalen voor het water en gas dat zij daadwerkelijk hebben verbruikt tot het moment dat de individuele meters werden geplaatst in september 2024, tenzij een van hun andere verweren slagen. 4.3. Het subsidiaire verweer en het meer subsidiaire verweer van [gedaagde partijen] komen erop neer dat [eisende partijen] niet de daadwerkelijke kosten bij [gedaagde partijen] in rekening heeft gebracht. Deze verweren slagen ook niet.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:721 text/xml public 2026-01-29T12:04:32 2026-01-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-01-14 11394809 \ CV EXPL 24-5650 Uitspraak Bodemzaak NL Maastricht Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:721 text/html public 2026-01-27T10:48:21 2026-01-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:721 Rechtbank Limburg , 14-01-2026 / 11394809 \ CV EXPL 24-5650 Betwisting afrekening energiekosten. RECHTBANK LIMBURG Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Maastricht Zaaknummer: 11394809 \ CV EXPL 24-5650 Vonnis van 14 januari 2026 in de zaak van 1 [eisende partij 1], te [plaats 1],2. [eisende partij 2] , te [plaats 1], eisende partijen, hierna samen te noemen: [eisende partijen], gemachtigde: Van Lith Gerechtsdeurwaarders en Incasso, tegen 1 [gedaagde partij 1], te [plaats 2], [gemeente],2. [gedaagde partij 2] , te [plaats 2], [gemeente], gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagde partijen], gemachtigde: mr. D.N. Lavain. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het exploot van dagvaarding van 23 oktober 2024 met producties 1 tot en met 7;- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 8;- de conclusie van repliek;- de conclusie van dupliek; - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald - de mondelinge behandeling van 18 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij [gedaagde partijen] niet in persoon zijn verschenen. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Met ingang van 15 januari 2021 huurden [gedaagde partijen] de zelfstandige woonruimte gelegen aan het [adres 1] te [plaats 2] (hierna: het gehuurde) van de rechtsvoorganger van [eisende partijen] De Algemene Bepalingen huurovereenkomst woonruimte, vastgesteld op 20 maart 2017 en gedeponeerd op 12 april 2017 bij de griffie van de rechtbank te Den Haag en daar ingeschreven onder nummer 2017.21 zijn van toepassing verklaard (hierna: de algemene bepalingen). Daarin is – voor zover relevant voor dit geschil – het volgende bepaald: “ Kosten, verzuim (…) 25.2 In alle gevallen waarin (ver)huurder een sommatie, een ingebrekestelling of een exploot aan (ver)huurder doet uitbrengen, of in geval van procedures tegen (ver)huurder om deze tot nakoming van de huurovereenkomst of huurder tot ontruiming te dwingen, is (ver)huurder verplicht alle daarvoor gemaakte kosten, zowel in als buiten rechte – met uitzondering van de ingevolge een definitieve rechterlijke beslissing door (ver)huurder te betalen proceskosten – aan (ver)huurder te voldoen, voor zover op de vergoeding van die kosten de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het Besluit incassokosten niet van toepassing is.” 2.2. Op of omstreeks 3 augustus 2021 hebben [eisende partijen] de eigendom verkregen van het gehuurde. 2.3. Op 15 september 2023 hebben [eisende partijen], [gedaagde partijen] en [B.V.] (hierna: [B.V.]), eigenaar van de onder het gehuurde gelegen frituur aan het [adres 2] te [plaats 2], een vaststellingsovereenkomst / addendum op oorspronkelijke huurovereenkomst gesloten. Daarin is – voor zover relevant voor dit geschil – het volgende bepaald: “ Verklaren te zijn overeengekomen als volgt: [eisende partijen] zal zorgen dat het gehuurde [adres 1] te [plaats 2]) zo spoedig mogelijk over een eigen aansluiting voor water en gas zal beschikken en zal daartoe alle benodigde inspanningen verrichten. (…) Totdat het gehuurde over een eigen aansluiting voor water en gas beschikt, zal [gedaagde partijen] de kosten voor zijn daadwerkelijk verbruik op maandelijkse basis voldoen. [B.V.] zal de daadwerkelijke kosten middels onderliggende bescheiden (documenten van de energieleveranciers) verstrekken aan [eisende partijen] en [eisende partijen] zal dit op zijn beurt aan [gedaagde partijen] verstrekken, waarna [gedaagde partijen] de kosten aan [eisende partijen] binnen vijf dagen zal voldoen. (…)” 2.4. Er is een tussenmeter geplaatst waarop [B.V.] het daadwerkelijke verbruik van het gehuurde kan aflezen. [B.V.] factureert dit aan [eisende partijen] 2.5. [eisende partijen] hebben aan [gedaagde partijen] facturen gestuurd ter zake van het verbruikte water en gas. 2.6. Bij brief van 11 juni 2024 hebben [eisende partijen] [gedaagde partijen] in de gelegenheid gesteld om de betalingsachterstand van € 3.049,97 binnen veertien dagen vanaf de dag na bezorging van die brief te voldoen en aangezegd dat bij niet-tijdige betaling € 430,30 aan incassokosten verschuldigd is en dit bedrag zal worden verhoogd met € 90,00 aan btw. 2.7. [gedaagde partijen] hebben zowel aan de facturen als aan de brief van 11 juni 2024 geen gevolg gegeven. 2.8. In september 2024 is een eigen aansluiting voor water en gas gerealiseerd ten behoeve van het gehuurde. 2.9. Ten tijde van de mondelinge behandeling is de huurovereenkomst beëindigd en verblijven [gedaagde partijen] niet meer in het gehuurde. 3 Het geschil 3.1. [eisende partijen] vorderen – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde partijen] hoofdelijk zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eisende partijen] € 4.299,11 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente en de proceskosten. Het bedrag van € 4.299,11 bestaat uit € 3.577,79 aan hoofdsom, € 584,16 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 137,16 aan wettelijke rente. 3.2. [eisende partijen] leggen aan hun vordering de stelling ten grondslag dat [gedaagde partijen] in gebreke zijn gebleven met tijdige betaling van het door hen verbruikte water en gas over de facturen van 26 november 2023 tot en met 24 september 2024. 3.3. [gedaagde partijen] voeren verweer. [gedaagde partijen] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partijen], dan wel tot afwijzing of matiging van de vorderingen van [eisende partijen], met voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partijen] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De kantonrechter is van oordeel dat de vorderingen van [eisende partijen] moeten worden toegewezen waarna [gedaagde partijen] worden veroordeeld in de proceskosten. Daartoe wordt als volgt overwogen. De hoofdsom 4.2. Het primaire verweer van [gedaagde partijen] dat zij op grond van de oorspronkelijke huurovereenkomst met de rechtsvoorganger van [eisende partijen] € 100,00 per maand moeten betalen voor gas en water slaagt niet. De door [eisende partijen] gevorderde hoofdsom ziet namelijk op door [gedaagde partijen] verbruikt water en gas in de periode waarin de vaststellingsovereenkomst / addendum op oorspronkelijke huurovereenkomst geldt. Weliswaar geldt op grond van artikel 7:226 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) dat [eisende partijen] als nieuwe verhuurder gebonden is aan afspraken tussen [gedaagde partijen] en hun voormalige verhuurder, maar dit eindigt zodra [eisende partijen] en [gedaagde partijen] andere afspraken maken en dat hebben zij op 15 september 2023 gedaan. [gedaagde partijen] hebben het bestaan van de vaststellingsovereenkomst / addendum en de inhoud van de daaruit voortvloeiende verbintenissen niet betwist. Daaronder is begrepen dat [gedaagde partijen] de kosten voor het daadwerkelijke verbruik op maandelijkse basis voldoen totdat het gehuurde over een eigen aansluiting voor water en gas beschikt. Dit betekent dat op hen de verplichting rust om te betalen voor het water en gas dat zij daadwerkelijk hebben verbruikt tot het moment dat de individuele meters werden geplaatst in september 2024, tenzij een van hun andere verweren slagen. 4.3. Het subsidiaire verweer en het meer subsidiaire verweer van [gedaagde partijen] komen erop neer dat [eisende partijen] niet de daadwerkelijke kosten bij [gedaagde partijen] in rekening heeft gebracht. Deze verweren slagen ook niet.
Volledig
De door [eisende partijen] aan [gedaagde partijen] gestuurde facturen zijn namelijk gebaseerd op de maandelijkse begin- en eindstanden van de tussenmeters en het tarief dat op dat moment door de leveranciers in rekening werd gebracht. Volgens [gedaagde partijen] vertegenwoordigen die facturen niet het daadwerkelijke verbruik, maar zij betwisten de op de facturen genoemde begin- en eindstanden niet waardoor deze zijn komen vast te staan en de kantonrechter uitgaat van de juistheid daarvan. Ook hebben zij het in rekening gebrachte tarief niet betwist. Zij stellen daarover namelijk alleen dat de in rekening gebrachte bedragen voor het gasverbruik niet in verhouding staan tot het geringe verbruik, dat sprake is van snel stijgende leveringskosten en dat de in rekening gebrachte waterkosten hoger liggen dan gemiddeld maar dat zegt niets over het in de situatie van [gedaagde partijen] van toepassing zijnde en door [B.V.] overeengekomen tarief. De kantonrechter gaat dan ook uit van de juistheid daarvan net als van de juistheid van de berekening omdat die ook niet wordt betwist door [gedaagde partijen] Niet valt in te zien dat [eisende partijen] meer hadden moeten doen voordat zij van [gedaagde partijen] betaling van de facturen konden verlangen. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat [gedaagde partijen] niet zijn verschenen bij de mondelinge behandeling op 18 november 2025, hetgeen de kantonrechter op basis van artikel 88 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in hun nadeel laat wegen. 4.4. Tot slot stellen [gedaagde partijen] zich op het standpunt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eisende partijen] aanspraak maken op betaling van de facturen, dat zij gerechtigd zijn de betaling van de facturen op te schorten en dat [eisende partijen] niet handelen als goed verhuurders. Ook dit verweer slaagt niet. In de door [gedaagde partijen] aangevoerde omstandigheden ziet de kantonrechter namelijk geen reden daarvoor. De met de vorige verhuurder gemaakte afspraak is niet van toepassing (zie rov. 4.2) en met de tussenmeter is voorzien in het kunnen meten van het daadwerkelijke verbruik van [gedaagde partijen], ook al is een afzonderlijke aansluiting tot september 2024 uitgebleven. Daarnaast hebben [gedaagde partijen] dezelfde omstandigheden aan dit verweer ten grondslag gelegd als de omstandigheden die zijn beoordeeld in rov. 4.3 Bovendien leidt opschorting alleen tot uitstel van het voldoen aan de betalingsverplichting en niet tot afstel daarvan. Het is dus naar zijn aard slechts tijdelijk. 4.5. De conclusie is dat de door [eisende partijen] gevorderde hoofdsom zal worden toegewezen en dat de kantonrechter geen reden ziet om het toe te wijzen bedrag te matigen. De buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente 4.6. [eisende partijen] vorderen betaling van buitengerechtelijke incassokosten en van de wettelijke rente van artikel 6:119 BW. De kantonrechter moet, nu het een overeenkomst met een consument betreft, in beginsel ambtshalve vaststellen of in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt over deze gevorderde onderdelen en beoordelen of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het betreffende beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen, ook als de gebruiker, in dit geval [eisende partijen], in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak. Dit alles volgt uit het Dexia-arrest en het Gupfinger-arrest . 4.7. In de tussen de rechtsvoorganger van [eisende partijen] en [gedaagde partijen] gesloten overeenkomst staat dat de algemene bepalingen van toepassing zijn. Deze bepalingen zijn niet door [eisende partijen] in het geding gebracht. Nu het gaat om algemene bepalingen conform het ROZ-model heeft de kantonrechter deze - zoals aangekondigd tijdens de mondelinge behandeling - zelf geraadpleegd. 4.8. De algemene bepalingen bevatten in artikel 25.2 een incassokostenbeding (zie 2.1). Het beding wijkt niet ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling die zonder dat beding zou gelden. Het beding is daarom niet oneerlijk en staat niet aan toewijzing van de buitengerechtelijke incassokosten in de weg. Wel moet beoordeeld worden of aan het beding (en daarmee ten minste aan de eisen van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten), is voldaan. [eisende partijen] hebben aan [gedaagde partijen] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding is hoger dan het tarief dat is vermeld in de aanmaning(en) als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW. De vergoeding wordt daarom toegewezen tot het tarief dat in de aanmaning(en) is vermeld. Daarom zal een bedrag van € 520,30 inclusief btw worden toegewezen. 4.9. De algemene bepalingen bevatten geen rentebeding. Omdat [gedaagde partijen] tegen de verschuldigdheid van de wettelijke rente geen verweer hebben gevoerd en zij in verzuim verkeren, zal zowel de meegevorderde wettelijke rente van € 137,16 als de wettelijke rente over de hoofdsom met ingang vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling worden toegewezen. Proceskosten 4.10. [gedaagde partijen] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partijen] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 137,39 - griffierecht € 248,00 - salaris gemachtigde € 813,00 (3 punten × € 271,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.333,39 Hoofdelijkheid 4.11. De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. veroordeelt [gedaagde partijen] hoofdelijk om aan [eisende partijen] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 4.235,25, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag van € 3.577,79, met ingang van 23 oktober 2024, tot de dag van volledige betaling, 5.2. veroordeelt [gedaagde partijen] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.333,39, tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partijen] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026. HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68 HvJ EU 8 december 2022, ECLI:EU:2022:971
Volledig
De door [eisende partijen] aan [gedaagde partijen] gestuurde facturen zijn namelijk gebaseerd op de maandelijkse begin- en eindstanden van de tussenmeters en het tarief dat op dat moment door de leveranciers in rekening werd gebracht. Volgens [gedaagde partijen] vertegenwoordigen die facturen niet het daadwerkelijke verbruik, maar zij betwisten de op de facturen genoemde begin- en eindstanden niet waardoor deze zijn komen vast te staan en de kantonrechter uitgaat van de juistheid daarvan. Ook hebben zij het in rekening gebrachte tarief niet betwist. Zij stellen daarover namelijk alleen dat de in rekening gebrachte bedragen voor het gasverbruik niet in verhouding staan tot het geringe verbruik, dat sprake is van snel stijgende leveringskosten en dat de in rekening gebrachte waterkosten hoger liggen dan gemiddeld maar dat zegt niets over het in de situatie van [gedaagde partijen] van toepassing zijnde en door [B.V.] overeengekomen tarief. De kantonrechter gaat dan ook uit van de juistheid daarvan net als van de juistheid van de berekening omdat die ook niet wordt betwist door [gedaagde partijen] Niet valt in te zien dat [eisende partijen] meer hadden moeten doen voordat zij van [gedaagde partijen] betaling van de facturen konden verlangen. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat [gedaagde partijen] niet zijn verschenen bij de mondelinge behandeling op 18 november 2025, hetgeen de kantonrechter op basis van artikel 88 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in hun nadeel laat wegen. 4.4. Tot slot stellen [gedaagde partijen] zich op het standpunt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eisende partijen] aanspraak maken op betaling van de facturen, dat zij gerechtigd zijn de betaling van de facturen op te schorten en dat [eisende partijen] niet handelen als goed verhuurders. Ook dit verweer slaagt niet. In de door [gedaagde partijen] aangevoerde omstandigheden ziet de kantonrechter namelijk geen reden daarvoor. De met de vorige verhuurder gemaakte afspraak is niet van toepassing (zie rov. 4.2) en met de tussenmeter is voorzien in het kunnen meten van het daadwerkelijke verbruik van [gedaagde partijen], ook al is een afzonderlijke aansluiting tot september 2024 uitgebleven. Daarnaast hebben [gedaagde partijen] dezelfde omstandigheden aan dit verweer ten grondslag gelegd als de omstandigheden die zijn beoordeeld in rov. 4.3 Bovendien leidt opschorting alleen tot uitstel van het voldoen aan de betalingsverplichting en niet tot afstel daarvan. Het is dus naar zijn aard slechts tijdelijk. 4.5. De conclusie is dat de door [eisende partijen] gevorderde hoofdsom zal worden toegewezen en dat de kantonrechter geen reden ziet om het toe te wijzen bedrag te matigen. De buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente 4.6. [eisende partijen] vorderen betaling van buitengerechtelijke incassokosten en van de wettelijke rente van artikel 6:119 BW. De kantonrechter moet, nu het een overeenkomst met een consument betreft, in beginsel ambtshalve vaststellen of in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt over deze gevorderde onderdelen en beoordelen of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak niet eerlijk is, moet het betreffende beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen, ook als de gebruiker, in dit geval [eisende partijen], in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak. Dit alles volgt uit het Dexia-arrest en het Gupfinger-arrest . 4.7. In de tussen de rechtsvoorganger van [eisende partijen] en [gedaagde partijen] gesloten overeenkomst staat dat de algemene bepalingen van toepassing zijn. Deze bepalingen zijn niet door [eisende partijen] in het geding gebracht. Nu het gaat om algemene bepalingen conform het ROZ-model heeft de kantonrechter deze - zoals aangekondigd tijdens de mondelinge behandeling - zelf geraadpleegd. 4.8. De algemene bepalingen bevatten in artikel 25.2 een incassokostenbeding (zie 2.1). Het beding wijkt niet ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling die zonder dat beding zou gelden. Het beding is daarom niet oneerlijk en staat niet aan toewijzing van de buitengerechtelijke incassokosten in de weg. Wel moet beoordeeld worden of aan het beding (en daarmee ten minste aan de eisen van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten), is voldaan. [eisende partijen] hebben aan [gedaagde partijen] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De gevorderde vergoeding is hoger dan het tarief dat is vermeld in de aanmaning(en) als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW. De vergoeding wordt daarom toegewezen tot het tarief dat in de aanmaning(en) is vermeld. Daarom zal een bedrag van € 520,30 inclusief btw worden toegewezen. 4.9. De algemene bepalingen bevatten geen rentebeding. Omdat [gedaagde partijen] tegen de verschuldigdheid van de wettelijke rente geen verweer hebben gevoerd en zij in verzuim verkeren, zal zowel de meegevorderde wettelijke rente van € 137,16 als de wettelijke rente over de hoofdsom met ingang vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling worden toegewezen. Proceskosten 4.10. [gedaagde partijen] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partijen] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 137,39 - griffierecht € 248,00 - salaris gemachtigde € 813,00 (3 punten × € 271,00) - nakosten € 135,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.333,39 Hoofdelijkheid 4.11. De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. veroordeelt [gedaagde partijen] hoofdelijk om aan [eisende partijen] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 4.235,25, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het bedrag van € 3.577,79, met ingang van 23 oktober 2024, tot de dag van volledige betaling, 5.2. veroordeelt [gedaagde partijen] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.333,39, tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partijen] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend, 5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.4. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2026. HvJ EU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68 HvJ EU 8 december 2022, ECLI:EU:2022:971