Rechtspraak
Rechtbank Limburg
2026-05-12
ECLI:NL:RBLIM:2026:4694
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,148 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:4694 text/xml public 2026-05-19T12:29:46 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-05-12 ROE 24/3004 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Roermond Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4694 text/html public 2026-05-19T12:29:25 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:4694 Rechtbank Limburg , 12-05-2026 / ROE 24/3004 Boete vanwege overtredingen van de Arbowet en het Arbobesluit. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat geen boete had mogen worden opgelegd en subsidiair dat de boete gematigd moet worden. De rechtbank is van oordeel dat terecht een boete is opgelegd, maar deze had moeten worden gematigd vanwege de eigen schuld van het slachtoffer. Daarnaast is de redelijke termijn overschreden. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank herroept het boetebesluit en matigt de oorspronkelijke boete met 30%. RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht Zaaknummer: ROE 24/3004 Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaak tussen Transpo Nuth B.V., gevestigd in Nuth (gemachtigden: P.J.M. Maris en L.J.H.M. Pansters), en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (gemachtigde: mr. S. Yildirim). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de boete die de minister aan Transpo Nuth heeft opgelegd naar aanleiding van een arbeidsongeval. Transpo Nuth is het niet eens met de hoogte van die boete. Aan de hand van de argumenten van Transpo Nuth beoordeelt de rechtbank of de minister terecht de boete heeft opgelegd. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot de conclusie dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Met het besluit van 24 juli 2023 heeft de minister aan Transpo Nuth een bestuurlijke boete opgelegd wegens het overtreden van de arbeidsomstandighedenwetgeving. Met de beslissing op bezwaar van 29 maart 2024 is de minister bij de oplegging en de hoogte van de bestuurlijke boete gebleven. Transpo Nuth heeft vervolgens beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. 2.1. De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen en het slachtoffer van het ongeval deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Inleiding 3. In het bedrijf van Transpo Nuth heeft op 5 september 2022 een ongeval plaatsgevonden bij het openen van de zijklep van een steenoplegger. In de steenoplegger waren bouwhekblokken gestapeld. Het slachtoffer, de chauffeur van de steenoplegger, opende de laadkleppen aan de zijkant van de steenoplegger. Op dat moment vielen de bouwhekblokken van de steenoplegger af en is het slachtoffer geraakt door die blokken. Als gevolg van dit ongeval heeft het slachtoffer gebroken borstwervels opgelopen waarvoor hij meer dan twee dagen in het ziekenhuis was opgenomen. 3.1. Naar aanleiding van dit ongeval is op 25 januari 2023 een boeterapport opgemaakt. De minister heeft daarin vastgesteld dat sprake was van een schending van artikel 16, tiende lid, van het Arbeidsomstandighedenwet en artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: het Arbobesluit). Het boetenormbedrag hiervoor bedraagt € 9.000,-. Vanwege de bedrijfsgrootte van Transpo Nuth is deze boete met 50% verminderd. Vervolgens is het boetebedrag 3,5 keer vermenigvuldigd omdat sprake is van een ziekenhuisopname van meer dan twee nachten, maar minder dan zeven nachten. De hoogte van de bestuurlijke boete is derhalve vastgesteld op € 15.750,-. Beroepsgronden 4. Transpo Nuth voert aan dat de beslissing is gebaseerd op onjuiste en onvolledige feiten, waardoor deze niet in stand kan blijven. Zo is daarin niet onderkend dat het slachtoffer veel ervaring heeft met de steenoplegger, maar dat het slechts de eerste keer betreft dat hij hierin bouwhekblokken heeft vervoerd. Ook klopt het niet dat het slachtoffer geen instructies zou hebben gehad. Aan het slachtoffer is – nadat hij contact heeft opgezocht met de planner van Transpo Nuth, naar aanleiding van foto’s van de slecht gestapelde pallets – aangegeven dat hij enkel de goed opgestapelde pallets moest meenemen. Dat is niet nageleefd door het slachtoffer, met alle consequenties nadien. Het slachtoffer had voordat het ongeval plaatsvond eerst nog een andere zijwand geopend, waaruit bouwhekblokken vielen die hij maar net had ontweken. Het slachtoffer is vervolgens op dezelfde onverantwoorde wijze doorgegaan met zijn werkzaamheden door ook nog een andere zijlaadklep te openen. Daardoor heeft het slachtoffer bewust het risico genomen en aanvaard dat de lading op hem terecht zou komen. Daarnaast heeft het slachtoffer deelgenomen aan een toolboxmeeting waarin hij geïnstrueerd is om voor aanvang van de werkzaamheden een controle uit te voeren, wat in dit geval niet is gebeurd. Gelet op het voorstaande heeft het slachtoffer op eigen initiatief tegen beter weten in roekeloos, dan wel buitengewoon onvoorzichtig, gehandeld. De minister had daarom geen boete mogen opleggen of in ieder geval aanleiding moeten zien om de boete te matigen, aldus Transpo Nuth. Had de minister een boete mogen opleggen? 5. In artikel 5:41 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat het bestuursorgaan (in dit geval: de minister) geen bestuurlijke boete oplegt voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten. Verder is in artikel 3.17 van het Arbobesluit is bepaald dat het gevaar te worden getroffen of geraakt door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan dan wel vloeistoffen of gassen, of het gevaar bekneld te raken tussen voorwerpen, producten of onderdelen daarvan, moet worden voorkomen en indien dat niet mogelijk is zoveel mogelijk moet worden beperkt. Indien dit niet gebeurt, is sprake van een overtreding. 5.1. In beginsel mag als de gedraging waarvoor de boete is opgelegd zich heeft voorgedaan van de verwijtbaarheid van de overtreding worden uitgegaan. Maar in situaties waarin verwijtbaarheid volledig ontbreekt, bestaat geen grond voor boeteoplegging. Die situatie doet zich in elk geval voor als de overtreder aannemelijk heeft gemaakt dat hij alles wat redelijkerwijs mogelijk was, heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. 5.2. De rechtbank is van oordeel dat door Transpo Nuth niet zoveel als mogelijk heeft gedaan om het gevaar om geraakt te worden bij het lossen van de steenoplegger, te voorkomen waardoor artikel 3.17 van het Arbobesluit is overtreden. De minister merkt in dat kader terecht op dat redelijkerwijs meer maatregelen hadden kunnen worden genomen door Transpo Nuth, zoals bijvoorbeeld het wijzigen van de manier waarop de bouwhekblokken worden vervoerd en door bij het openen van de zijkleppen ernaast te gaan staan, in plaats van ervoor (wat beide, zo begrijpt de rechtbank, tegenwoordig ook gebeurt). Dat het slachtoffer contact heeft opgenomen met de planner en dat deze zou hebben aangegeven enkel de goed opgestapelde pallets mee te nemen, maakt dit niet anders, nu niet is gebleken dat de manier van stapelen de enige oorzaak was van het ongeval. Dat kon immers ook het gevolg zijn van de wijze van bevestiging en de kwaliteit van de pallets . De rechtbank wijst daarbij er op dat Transpo Nuth tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft aangegeven dat de planner heeft aangegeven dat de chauffeur zelf moest beoordelen wat veilig was om mee te nemen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Had de minister de boete moeten matigen? 6. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de boete te matigen. Daarbij kan een rol spelen dat uit feiten en handelingen blijkt dat de overtreding niet opzettelijk is begaan. Aan dit uitgangspunt is invulling gegeven in artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving (hierna: de beleidsregels). In deze bepaling zijn vier inspanningen beschreven die elk kunnen leiden tot matiging van de boete met 25% (namelijk: a. risico-inventarisatie en -evaluatie (hierna: RI&E) en veilige werkwijze, b. noodzakelijke randvoorwaarden, c. adequate instructies en d. adequaat toezicht). Deze matigingsgronden zijn niet cumulatief en dienen apart van elkaar te worden beoordeeld.
Volledig
ECLI:NL:RBLIM:2026:4694 text/xml public 2026-05-19T12:29:46 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Limburg 2026-05-12 ROE 24/3004 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Roermond Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4694 text/html public 2026-05-19T12:29:25 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBLIM:2026:4694 Rechtbank Limburg , 12-05-2026 / ROE 24/3004 Boete vanwege overtredingen van de Arbowet en het Arbobesluit. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat geen boete had mogen worden opgelegd en subsidiair dat de boete gematigd moet worden. De rechtbank is van oordeel dat terecht een boete is opgelegd, maar deze had moeten worden gematigd vanwege de eigen schuld van het slachtoffer. Daarnaast is de redelijke termijn overschreden. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank herroept het boetebesluit en matigt de oorspronkelijke boete met 30%. RECHTBANK LIMBURG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht Zaaknummer: ROE 24/3004 Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaak tussen Transpo Nuth B.V., gevestigd in Nuth (gemachtigden: P.J.M. Maris en L.J.H.M. Pansters), en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (gemachtigde: mr. S. Yildirim). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de boete die de minister aan Transpo Nuth heeft opgelegd naar aanleiding van een arbeidsongeval. Transpo Nuth is het niet eens met de hoogte van die boete. Aan de hand van de argumenten van Transpo Nuth beoordeelt de rechtbank of de minister terecht de boete heeft opgelegd. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot de conclusie dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Met het besluit van 24 juli 2023 heeft de minister aan Transpo Nuth een bestuurlijke boete opgelegd wegens het overtreden van de arbeidsomstandighedenwetgeving. Met de beslissing op bezwaar van 29 maart 2024 is de minister bij de oplegging en de hoogte van de bestuurlijke boete gebleven. Transpo Nuth heeft vervolgens beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. 2.1. De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen en het slachtoffer van het ongeval deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Inleiding 3. In het bedrijf van Transpo Nuth heeft op 5 september 2022 een ongeval plaatsgevonden bij het openen van de zijklep van een steenoplegger. In de steenoplegger waren bouwhekblokken gestapeld. Het slachtoffer, de chauffeur van de steenoplegger, opende de laadkleppen aan de zijkant van de steenoplegger. Op dat moment vielen de bouwhekblokken van de steenoplegger af en is het slachtoffer geraakt door die blokken. Als gevolg van dit ongeval heeft het slachtoffer gebroken borstwervels opgelopen waarvoor hij meer dan twee dagen in het ziekenhuis was opgenomen. 3.1. Naar aanleiding van dit ongeval is op 25 januari 2023 een boeterapport opgemaakt. De minister heeft daarin vastgesteld dat sprake was van een schending van artikel 16, tiende lid, van het Arbeidsomstandighedenwet en artikel 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: het Arbobesluit). Het boetenormbedrag hiervoor bedraagt € 9.000,-. Vanwege de bedrijfsgrootte van Transpo Nuth is deze boete met 50% verminderd. Vervolgens is het boetebedrag 3,5 keer vermenigvuldigd omdat sprake is van een ziekenhuisopname van meer dan twee nachten, maar minder dan zeven nachten. De hoogte van de bestuurlijke boete is derhalve vastgesteld op € 15.750,-. Beroepsgronden 4. Transpo Nuth voert aan dat de beslissing is gebaseerd op onjuiste en onvolledige feiten, waardoor deze niet in stand kan blijven. Zo is daarin niet onderkend dat het slachtoffer veel ervaring heeft met de steenoplegger, maar dat het slechts de eerste keer betreft dat hij hierin bouwhekblokken heeft vervoerd. Ook klopt het niet dat het slachtoffer geen instructies zou hebben gehad. Aan het slachtoffer is – nadat hij contact heeft opgezocht met de planner van Transpo Nuth, naar aanleiding van foto’s van de slecht gestapelde pallets – aangegeven dat hij enkel de goed opgestapelde pallets moest meenemen. Dat is niet nageleefd door het slachtoffer, met alle consequenties nadien. Het slachtoffer had voordat het ongeval plaatsvond eerst nog een andere zijwand geopend, waaruit bouwhekblokken vielen die hij maar net had ontweken. Het slachtoffer is vervolgens op dezelfde onverantwoorde wijze doorgegaan met zijn werkzaamheden door ook nog een andere zijlaadklep te openen. Daardoor heeft het slachtoffer bewust het risico genomen en aanvaard dat de lading op hem terecht zou komen. Daarnaast heeft het slachtoffer deelgenomen aan een toolboxmeeting waarin hij geïnstrueerd is om voor aanvang van de werkzaamheden een controle uit te voeren, wat in dit geval niet is gebeurd. Gelet op het voorstaande heeft het slachtoffer op eigen initiatief tegen beter weten in roekeloos, dan wel buitengewoon onvoorzichtig, gehandeld. De minister had daarom geen boete mogen opleggen of in ieder geval aanleiding moeten zien om de boete te matigen, aldus Transpo Nuth. Had de minister een boete mogen opleggen? 5. In artikel 5:41 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat het bestuursorgaan (in dit geval: de minister) geen bestuurlijke boete oplegt voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten. Verder is in artikel 3.17 van het Arbobesluit is bepaald dat het gevaar te worden getroffen of geraakt door voorwerpen, producten of onderdelen daarvan dan wel vloeistoffen of gassen, of het gevaar bekneld te raken tussen voorwerpen, producten of onderdelen daarvan, moet worden voorkomen en indien dat niet mogelijk is zoveel mogelijk moet worden beperkt. Indien dit niet gebeurt, is sprake van een overtreding. 5.1. In beginsel mag als de gedraging waarvoor de boete is opgelegd zich heeft voorgedaan van de verwijtbaarheid van de overtreding worden uitgegaan. Maar in situaties waarin verwijtbaarheid volledig ontbreekt, bestaat geen grond voor boeteoplegging. Die situatie doet zich in elk geval voor als de overtreder aannemelijk heeft gemaakt dat hij alles wat redelijkerwijs mogelijk was, heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. 5.2. De rechtbank is van oordeel dat door Transpo Nuth niet zoveel als mogelijk heeft gedaan om het gevaar om geraakt te worden bij het lossen van de steenoplegger, te voorkomen waardoor artikel 3.17 van het Arbobesluit is overtreden. De minister merkt in dat kader terecht op dat redelijkerwijs meer maatregelen hadden kunnen worden genomen door Transpo Nuth, zoals bijvoorbeeld het wijzigen van de manier waarop de bouwhekblokken worden vervoerd en door bij het openen van de zijkleppen ernaast te gaan staan, in plaats van ervoor (wat beide, zo begrijpt de rechtbank, tegenwoordig ook gebeurt). Dat het slachtoffer contact heeft opgenomen met de planner en dat deze zou hebben aangegeven enkel de goed opgestapelde pallets mee te nemen, maakt dit niet anders, nu niet is gebleken dat de manier van stapelen de enige oorzaak was van het ongeval. Dat kon immers ook het gevolg zijn van de wijze van bevestiging en de kwaliteit van de pallets . De rechtbank wijst daarbij er op dat Transpo Nuth tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft aangegeven dat de planner heeft aangegeven dat de chauffeur zelf moest beoordelen wat veilig was om mee te nemen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Had de minister de boete moeten matigen? 6. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de boete te matigen. Daarbij kan een rol spelen dat uit feiten en handelingen blijkt dat de overtreding niet opzettelijk is begaan. Aan dit uitgangspunt is invulling gegeven in artikel 1, elfde lid, van de Beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving (hierna: de beleidsregels). In deze bepaling zijn vier inspanningen beschreven die elk kunnen leiden tot matiging van de boete met 25% (namelijk: a. risico-inventarisatie en -evaluatie (hierna: RI&E) en veilige werkwijze, b. noodzakelijke randvoorwaarden, c. adequate instructies en d. adequaat toezicht). Deze matigingsgronden zijn niet cumulatief en dienen apart van elkaar te worden beoordeeld.
Volledig
Wel kan sprake zijn van een samenhang tussen de verschillende matigingsgronden. De vraag of Transpo Nuth een verwijt te maken valt, hangt dus uiteindelijk samen met de vraag of Transpo Nuth aan de vier matigingsgronden heeft voldaan. Het is aan Transpo Nuth om te stellen en te onderbouwen dat deze inspanningen zijn verricht. 6.1. De rechtbank is van oordeel dat Transpo Nuth niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij heeft voldaan aan de voorwaarden voor matigingsgrond a. Tussen partijen is niet in geschil dat de risico’s van het laden en lossen van een steenoplegger niet waren opgenomen in een op schrift gestelde RI&E. Om werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren, is het de verantwoordelijkheid van Transpo Nuth om zorg te dragen dat alle risico’s die behoren bij die werkzaamheden zoveel mogelijk worden geïnventariseerd en geëvalueerd. Op basis van een RI&E kunnen dan veiligheidsmaatregelen zijn beschreven (in een plan van aanpak) en hoe deze moeten worden toegepast om veilig te kunnen werken. De rechtbank is verder ook niet gebleken dat Transpo Nuth de specifieke risico’s van de werkzaamheden ten tijde van de overtreding op een andere wijze heeft geïnventariseerd en de veiligheidsmaatregelen kenbaar heeft gemaakt voordat het ongeval heeft plaatsgevonden. De rechtbank acht de motivering van de minister op dit punt toereikend en inzichtelijk. Omdat Transpo Nuth de risico’s van het laden en lossen van de steenoplegger niet heeft geïnventariseerd, is er ook geen veilige werkwijze voor deze specifieke risico’s ontwikkeld. De toolboxmeeting die het slachtoffer heeft bijgewoond over de ‘Laatste Minuut Risico Analyse’ maakt dit niet anders, nu dat niet ziet op de specifieke werkzaamheden die zijn uitgevoerd en de daarbij horende risico’s. De minister heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat onderdeel a van de beleidsregels geen aanleiding geeft tot matiging. 6.2. Bij het beoordelen of is voldaan aan de andere matigingsgronden, kan in aanmerking worden genomen dat geen sprake was van een veilige werkwijze. Er kan namelijk sprake zijn van een samenhang tussen de verschillende matigingsgronden. Naar het oordeel van de rechtbank is, als gevolg van het ontbreken van een veilige werkwijze, ook niet voldaan de overige drie matigingsgronden. Nu er geen veilige werkwijze is ontwikkeld, kan er ook geen sprake zijn van noodzakelijke randvoorwaarden voor deze veilige werkwijze, en kunnen er ook geen adequate instructies zijn gegeven. Ook kan, als geen sprake is van een veilige werkwijze, logischerwijs geen sprake zijn van adequaat toezicht op het naleven van een veilige werkwijze. Het geven van adequate instructies en het houden van toezicht op de naleving daarvan kan doorgaans alleen effectief plaatsvinden als er sprake is van een veilige werkwijze waarop die instructies zijn gericht. Feitelijk toezicht moet van dusdanige aard zijn dat de werknemers hierdoor worden gestimuleerd om zich aan de veiligheidseisen te houden. Aangezien die eisen in het onderhavige geval niet zijn vastgelegd in een veilige werkwijze, kon het toezicht op de naleving daarvan ook niet adequaat zijn. Van een verminderde verwijtbaarheid is daarom op deze gronden volgens de rechtbank geen sprake. Ook deze beroepsgrond slaagt in zoverre niet. 6.3. Hoewel de inspanningen van de overtreder onvoldoende worden geacht om tot de conclusie te komen dat zij op basis van de matigingsgronden verminderd verwijtbaar moet worden geacht, kan alsnog grond bestaan voor matiging indien sprake is van een situatie waarin de werknemer op eigen initiatief en tegen beter weten in buitengewoon onvoorzichtig heeft gehandeld. 6.4. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een situatie waarin het slachtoffer op eigen initiatief en tegen beter weten in buitengewoon onvoorzichtig heeft gehandeld. Dat is met name gelegen in het feit dat het slachtoffer, nadat hij eerder met het openen van een zijwand andere vallende bouwhekblokken maar net heeft kunnen ontwijken, door is gegaan met het openen van andere zijwanden. Het lag in dat geval op zijn weg op te controleren of de problemen met de pallets zich op meerdere plekken voordeed, voordat hij doorging met deze werkzaamheden. Ter zitting is aangegeven dat dit mogelijk was door gebruik te maken van een trap aan de achterkant van de steenoplegger. Hoewel Transpo Nuth, als hiervoor is overwogen, in zoverre tekortschoot door onder andere niet de risico’s te inventariseren en een veilige werkwijze (kenbaar) te maken, lag het niet in de lijn der verwachting dat het slachtoffer nadat bijna een ongeval is gebeurd onverminderd zelfstandig door gaat met zijn werkzaamheden door andere zijwanden te openen, waarbij de rechtbank opmerkt dat het slachtoffer ditmaal ook niet had gemeld dat er bijna een ongeval had plaatsgevonden. De minister had daarom reden moeten zien om de boete te matigen vanwege de eigen schuld van het slachtoffer. De rechtbank ziet hierom aanleiding voor het oordeel dat een matiging van het oorspronkelijke boetebedrag met 15% passend en geboden is. Overschrijding van de redelijke termijn 7. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van deze zaak is overschreden. Voor een zaak zoals deze is in beginsel een termijn van twee jaar, gerekend vanaf de dag van de ontvangstbevestiging van het boeterapport (26 januari 2023), redelijk. In dit geval is die termijn met meer dan een jaar overschreden. De rechtbank handelt voor het vaststellen van de consequenties daarvan dan naar bevind van zaken. Zij acht het in dit geval redelijk om het oorspronkelijke boetebedrag (van € 15.750,-) verder te matigen met 15%. Dit maakt dat de boete nu wordt gematigd met 30% en derhalve moet worden vastgesteld op € 11.025,-. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is gegrond omdat de boete had moeten worden gematigd vanwege de eigen schuld van het slachtoffer en de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank vernietigt daarom de beslissing op bezwaar voor zover daarin de boete is vastgesteld op € 15.750,- en herroept in zoverre ook het boetebesluit. De rechtbank voorziet op grond van artikel 8:72 van de Algemene wet bestuursrecht vervolgens zelf in de zaak door de boete vast te stellen op € 11.025,-. Zij bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de beslissing op bezwaar. 9. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat de minister aan Transpo Nuth het betaalde griffierecht moet vergoeden. Verder is de rechtbank niet gebleken dat proceskosten zijn gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de beslissing op bezwaar voor zover daarin de hoogte van de boete is vastgesteld op € 15.750,-; herroept het boetebesluit voor zover daarin de hoogte van de boete is vastgesteld op € 15.750,-; bepaalt dat de boete wordt vastgesteld op € 11.025,-; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de beslissing op bezwaar; draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 371,- aan Transpo Nuth te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.D. Kock, rechter, in aanwezigheid van B.A.E.I. van Hooff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026 griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 12 mei 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie wat is overwogen onder 3.3 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3856.
Volledig
Wel kan sprake zijn van een samenhang tussen de verschillende matigingsgronden. De vraag of Transpo Nuth een verwijt te maken valt, hangt dus uiteindelijk samen met de vraag of Transpo Nuth aan de vier matigingsgronden heeft voldaan. Het is aan Transpo Nuth om te stellen en te onderbouwen dat deze inspanningen zijn verricht. 6.1. De rechtbank is van oordeel dat Transpo Nuth niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij heeft voldaan aan de voorwaarden voor matigingsgrond a. Tussen partijen is niet in geschil dat de risico’s van het laden en lossen van een steenoplegger niet waren opgenomen in een op schrift gestelde RI&E. Om werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren, is het de verantwoordelijkheid van Transpo Nuth om zorg te dragen dat alle risico’s die behoren bij die werkzaamheden zoveel mogelijk worden geïnventariseerd en geëvalueerd. Op basis van een RI&E kunnen dan veiligheidsmaatregelen zijn beschreven (in een plan van aanpak) en hoe deze moeten worden toegepast om veilig te kunnen werken. De rechtbank is verder ook niet gebleken dat Transpo Nuth de specifieke risico’s van de werkzaamheden ten tijde van de overtreding op een andere wijze heeft geïnventariseerd en de veiligheidsmaatregelen kenbaar heeft gemaakt voordat het ongeval heeft plaatsgevonden. De rechtbank acht de motivering van de minister op dit punt toereikend en inzichtelijk. Omdat Transpo Nuth de risico’s van het laden en lossen van de steenoplegger niet heeft geïnventariseerd, is er ook geen veilige werkwijze voor deze specifieke risico’s ontwikkeld. De toolboxmeeting die het slachtoffer heeft bijgewoond over de ‘Laatste Minuut Risico Analyse’ maakt dit niet anders, nu dat niet ziet op de specifieke werkzaamheden die zijn uitgevoerd en de daarbij horende risico’s. De minister heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat onderdeel a van de beleidsregels geen aanleiding geeft tot matiging. 6.2. Bij het beoordelen of is voldaan aan de andere matigingsgronden, kan in aanmerking worden genomen dat geen sprake was van een veilige werkwijze. Er kan namelijk sprake zijn van een samenhang tussen de verschillende matigingsgronden. Naar het oordeel van de rechtbank is, als gevolg van het ontbreken van een veilige werkwijze, ook niet voldaan de overige drie matigingsgronden. Nu er geen veilige werkwijze is ontwikkeld, kan er ook geen sprake zijn van noodzakelijke randvoorwaarden voor deze veilige werkwijze, en kunnen er ook geen adequate instructies zijn gegeven. Ook kan, als geen sprake is van een veilige werkwijze, logischerwijs geen sprake zijn van adequaat toezicht op het naleven van een veilige werkwijze. Het geven van adequate instructies en het houden van toezicht op de naleving daarvan kan doorgaans alleen effectief plaatsvinden als er sprake is van een veilige werkwijze waarop die instructies zijn gericht. Feitelijk toezicht moet van dusdanige aard zijn dat de werknemers hierdoor worden gestimuleerd om zich aan de veiligheidseisen te houden. Aangezien die eisen in het onderhavige geval niet zijn vastgelegd in een veilige werkwijze, kon het toezicht op de naleving daarvan ook niet adequaat zijn. Van een verminderde verwijtbaarheid is daarom op deze gronden volgens de rechtbank geen sprake. Ook deze beroepsgrond slaagt in zoverre niet. 6.3. Hoewel de inspanningen van de overtreder onvoldoende worden geacht om tot de conclusie te komen dat zij op basis van de matigingsgronden verminderd verwijtbaar moet worden geacht, kan alsnog grond bestaan voor matiging indien sprake is van een situatie waarin de werknemer op eigen initiatief en tegen beter weten in buitengewoon onvoorzichtig heeft gehandeld. 6.4. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een situatie waarin het slachtoffer op eigen initiatief en tegen beter weten in buitengewoon onvoorzichtig heeft gehandeld. Dat is met name gelegen in het feit dat het slachtoffer, nadat hij eerder met het openen van een zijwand andere vallende bouwhekblokken maar net heeft kunnen ontwijken, door is gegaan met het openen van andere zijwanden. Het lag in dat geval op zijn weg op te controleren of de problemen met de pallets zich op meerdere plekken voordeed, voordat hij doorging met deze werkzaamheden. Ter zitting is aangegeven dat dit mogelijk was door gebruik te maken van een trap aan de achterkant van de steenoplegger. Hoewel Transpo Nuth, als hiervoor is overwogen, in zoverre tekortschoot door onder andere niet de risico’s te inventariseren en een veilige werkwijze (kenbaar) te maken, lag het niet in de lijn der verwachting dat het slachtoffer nadat bijna een ongeval is gebeurd onverminderd zelfstandig door gaat met zijn werkzaamheden door andere zijwanden te openen, waarbij de rechtbank opmerkt dat het slachtoffer ditmaal ook niet had gemeld dat er bijna een ongeval had plaatsgevonden. De minister had daarom reden moeten zien om de boete te matigen vanwege de eigen schuld van het slachtoffer. De rechtbank ziet hierom aanleiding voor het oordeel dat een matiging van het oorspronkelijke boetebedrag met 15% passend en geboden is. Overschrijding van de redelijke termijn 7. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn voor de behandeling van deze zaak is overschreden. Voor een zaak zoals deze is in beginsel een termijn van twee jaar, gerekend vanaf de dag van de ontvangstbevestiging van het boeterapport (26 januari 2023), redelijk. In dit geval is die termijn met meer dan een jaar overschreden. De rechtbank handelt voor het vaststellen van de consequenties daarvan dan naar bevind van zaken. Zij acht het in dit geval redelijk om het oorspronkelijke boetebedrag (van € 15.750,-) verder te matigen met 15%. Dit maakt dat de boete nu wordt gematigd met 30% en derhalve moet worden vastgesteld op € 11.025,-. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is gegrond omdat de boete had moeten worden gematigd vanwege de eigen schuld van het slachtoffer en de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank vernietigt daarom de beslissing op bezwaar voor zover daarin de boete is vastgesteld op € 15.750,- en herroept in zoverre ook het boetebesluit. De rechtbank voorziet op grond van artikel 8:72 van de Algemene wet bestuursrecht vervolgens zelf in de zaak door de boete vast te stellen op € 11.025,-. Zij bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de beslissing op bezwaar. 9. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat de minister aan Transpo Nuth het betaalde griffierecht moet vergoeden. Verder is de rechtbank niet gebleken dat proceskosten zijn gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de beslissing op bezwaar voor zover daarin de hoogte van de boete is vastgesteld op € 15.750,-; herroept het boetebesluit voor zover daarin de hoogte van de boete is vastgesteld op € 15.750,-; bepaalt dat de boete wordt vastgesteld op € 11.025,-; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de beslissing op bezwaar; draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 371,- aan Transpo Nuth te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.D. Kock, rechter, in aanwezigheid van B.A.E.I. van Hooff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026 griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 12 mei 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie wat is overwogen onder 3.3 in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3856.